Ze moest de boel bij elkaar houden

Na de grillige ‘Koning Gorilla’, Willem III, maakte diens jonge weduwe Emma van Waldeck-Pyrmont het koningshuis zichtbaarder. Ze legde een basis voor een stevige, ‘burgerlijke’ monarchie.

Het was allemaal de schuld van Wiwil: van Willem, prins van Oranje. Hij weigerde zijn dynastieke plicht te doen door te trouwen met een (buitenlandse) prinses. Hij had zijn zinnen gezet op Mathilde van Limburg Stirum. Dat was wel een keurige gravin, maar toch een ‘onderdane’, en dus volgens zijn vader, koning Willem III, geen partij voor een troonopvolger. Omdat Wiwil niet trouwde en er toch nageslacht moest komen, zocht de oude koning, die behalve een echtgenote al vele maîtresses had versleten, zelf een prinses. In 1879 trouwde Willem III met Emma van Waldeck-Pyrmont, die hem weldra een dochter schonk.

Het boek van Irène Diependaal over koningin Emma, waarin Wiwils weigering als sleutelmoment wordt beschreven, is geen biografie. Het is een studie naar Emma’s optreden als regentes tussen de dood van Willem III (1890) en de inhuldiging van hun meerderjarig geworden dochter Wilhelmina (1898). Diependaal verklaart herhaaldelijk dat zij het huidige beeld van Emma wil bijstellen. Dat beeld behelst dat zij, door aansluiting te zoeken bij de liberale burgerij, en door het koningshuis zichtbaar te maken voor het volk, de grondslag zou hebben gelegd voor de stevige, ‘burgerlijke’ monarchie die Nederland in de twintigste eeuw werd. Een dergelijke vernieuwing van de monarchie was nodig na het humeurige optreden van ‘Koning Gorilla’, Willem III.

Maar erg veel weet Diependaal daaraan niet bij te stellen – eigenlijk alleen dat Emma niet bewust heeft geprobeerd de monarchie te moderniseren. Ze moest allereerst de boel bij elkaar houden, en streefde naar continuïteit met het verleden, althans, met wat daarin gunstig was voor Wilhelmina’s toekomstig koningschap.

Vorstendommetje van niks

Ook de verburgerlijking was geen bewust beleid, al had zij weinig voeling met de Nederlandse adel. In het internationale netwerk van vorstenhuizen probeerde ze haar toontje mee te blazen, wat voor iemand van haar relatief bescheiden komaf – Waldeck-Pyrmont was een vorstendommetje van niks – nog aardig lukte (al zou die komaf zich toch wreken toen er een behoorlijke prins voor Wilhelmina moest worden gevonden).

De uitkomst kan de schrijfster niet betwisten. Zij wil het allemaal in historisch perspectief plaatsen, en haalt daarbij veel te breed uit. Als het gaat over het geschiedbeeld dat Emma behandeld wil zien in het onderwijsprogramma van het koningskind, vertelt zij de hele vaderlandse geschiedenis, en de uiteenlopende visies daarop. Als ze Emma’s optreden als regentes wil kenschetsen, overstelpt zij de lezer met zoveel details over haar verhouding tot de ministers, de volksvertegenwoordiging, de Voogdijraad (die op Wilhelmina’s opvoeding moest toezien) en de hofhouding dat de lezer er doodmoe van wordt. Die lezer heeft meer aan de anekdotes en verhalen die illustreren voor welke taak Emma stond, en hoe het toeging in de wonderlijke organisatie die een hofhouding nu eenmaal altijd is. Onder Willem III was het een chaos geworden. Veel aristocraten die in principe voor de eer (dus onbezoldigd) de koning terzijde hadden moeten staan, waren opgestapt. Een paar oude getrouwen waren gebleven in betaalde functies, en kregen dus veel invloed.

De uitvaart van Willem III werd een organisatorische ramp; dat kwam, schrijft Diependaal, vooral doordat Emma haast wilde maken met de begrafenis van de op 23 november overleden vorst. Waarom? Omdat zij niet wilde dat het Sinterklaasfeest van de bevolking zou worden verstoord. Als dat geen burgerlijke overweging is!

Interessant is de eensgezindheid waarmee de Voogdijraad én de regentes probeerden te voorkomen dat het koningskind verwaand zou worden. Met het oog daarop werd het aantal staatsbezoeken, waarbij het koninginnetje natuurlijk de hoofdrol speelde, beperkt.

Wilhelmina werd als kind zo argeloos gehouden, schrijft Diependaal, dat zij haar moeder eens vroeg, waarom zij zelf bij plechtige gelegenheden toch altijd vóórop moest lopen. ‘Je zou op mijn sleep kunnen stappen’, zou Emma hebben geantwoord, tactvol. Het verhaal, met een bron uit 1963, klinkt niet erg geloofwaardig. Overtuigender is de herinnering van een Engelse hofdame, die optekende hoe de veertienjarige Wilhelmina tijdens een bezoek aan Buckingham Palace enthousiast riep dat zij later niet zo’n koningin als Emma wilde worden, maar een échte, zoals tante Victoria!

Huisarchief

Een tastbaar resultaat van Emma’s regentschap was de stichting, op haar initiatief, van het Koninklijk Huisarchief. Diependaal gaat hier uitvoerig op in en maakt duidelijk, dat deze bewuste vernieuwing juist bedoeld was om de continuïteit van de Oranjedynastie te waarborgen. Maar al met al wordt de lezer toch bekropen door het gevoel dat onder Emma’s regentschap iets begonnen is dat je, analoog aan klachten over de hedendaagse basisschool, de ‘feminisering van de Nederlandse kroon’ kunt noemen. Willem III, dat was nog een échte koning: trots, met driftbuien en maling aan andermans gevoelens. Emma introduceerde braafheid en het uitentreuren beleden plichtsgevoel, dat een hoogtepunt bereikte in haar achterkleindochter Beatrix. Het zal nog moeten blijken of de eerste man op de troon in 123 jaar, die nadrukkelijk géén Willem IV wilde heten, daarin verandering zal brengen.