‘Wist ik niet’ is voor minister geen excuus

Het is moeilijk voorstelbaar dat minister Plasterk (Binnenlandse Zaken, PvdA) nog een uitweg weet te vinden uit het moeras waarin hij zichzelf heeft geworpen. Laat hij dat maar wel proberen, laat hij zich maar verdedigen en verklaren waarom hij de Tweede Kamer zo op het verkeerde been heeft gezet. Als de minister vervolgens moet opstappen, dan heeft hij in dat opzicht in elk geval de koninklijke weg bewandeld.

De minister heeft vorig jaar een en andermaal verklaard dat het de Amerikaanse veiligheidsdienst NSA is geweest die in Nederland 1,8 miljoen metadata – niet te verwarren met gesprekken – uit telefoonverkeer heeft getapt. In het televisieprogramma Nieuwsuur zei hij tot die conclusie te zijn gekomen, nadat hij „er nog eens nadrukkelijk naar had gekeken”. Hij had toen al een verklaring op zak waarin de NSA liet weten te beschikken over metadata die ze van haar buitenlandse partners had verkregen.

Toch was het in dat programma geen verspreking van de minister, want later in een overleg met de Tweede Kamer herhaalde hij zijn stelling dat de Nederlandse geheime diensten dergelijke informatie niet met de NSA hadden gedeeld en zei hij het „niet acceptabel” te vinden dat de Amerikaanse dienst metadata in Nederland verzamelt. Premier Rutte meldde later in de Tweede Kamer over de activiteiten van de NSA dat „de regering dit hoog opneemt en erbovenop zit”.

De vraag is nu wat het betekent als minister Plasterk beweert dat hij „nadrukkelijk” naar iets heeft gekeken. Het antwoord daarop is vooral relevant doordat de bewindsman gisteren een brief naar de Tweede Kamer stuurde, samen met de minister van Defensie, Hennis-Plasschaert (VVD), waarin hij het tegendeel beweerde van wat hij eerder zei. De 1,8 miljoen megadata zijn verzameld door de NSO, de gezamenlijke organisatie van de Nederlandse veiligheidsdiensten AIVD en MIVD.

Het debat dat de Tweede Kamer hierover met Plasterk wil voeren, zal zijn beperkingen kennen. Wettelijke regels verplichten de minister en de Kamerleden tot geheimhouding over operationele activiteiten van de veiligheidsdiensten. Maar dat mag geen belemmering zijn voor Plasterk, die gisteren na zijn brief verder zweeg, om openheid te geven.

Hoe kon hij de Tweede Kamer zo op het verkeerde been zetten? Is hij verkeerd geïnformeerd door zijn ambtenaren, door de diensten? Het is eerder gesteld: ook een minister weet niet wat hij niet weet. En: waarom handelde hij ogenschijnlijk zo zonder publieke bemoeienis van zijn collega van Defensie? Maar wat hij ook wel of niet wist: hij is verantwoordelijk voor de volstrekt onjuiste informatie die hij heeft verstrekt.