Uit een chaos van karton, multiplex, lijmklemmen, scharen en penselen

Van een zelf geknutseld ‘Wunderland’ maakt de maker ook nog eens foto’s vol dreiging, die een spel spelen met de wereld zoals we die kennen.

Geschlossene Gesellschaft (2011) van Frank Kunert
Geschlossene Gesellschaft (2011) van Frank Kunert Foto uit besproken boek

Wat doet formaat? Had de Nachtwacht ook best half zo klein kunnen zijn, of het beeldje van Anne Frank twee keer zo groot? Het is een vraag die zich al helemaal voordoet in het werk van de kunstenaar Frank Kunert (1963, Frankfurt). Hij begint met verkleinen – om daarna te vergroten. Hij bouwt of knutselt, op schaal, een gebouw of liever een bouwsel, in drie dimensies, om het vervolgens te fotograferen. Wat hij dan weer op zo’n manier doet dat het niet meteen volstrekt evident is dat je met een wereld in het klein te maken hebt. Wat je wel direct ziet is dat het een vervreemde, gewoonlijk komische, absurde, soms ook vierkant onmogelijke wereld is die zich daar opent.

Eind vorig jaar publiceerde Kunert zijn tweede fotoboek, getiteld Wunderland. Het eerste, Verkehrte Welt, hooguit nog antiquarisch te verkrijgen, verscheen vijf jaar daarvoor. De kunstenaar haast zich niet. Beide boeken – vierkant, dat zie je niet vaak, 22,5 x 22,5 cm – bevatten zo’n twintig foto’s in kleur. De foto’s zijn de eindproducten waarvoor de bouwsels in zekere zin als schetsen gefungeerd hebben.

Uit een chaos van karton, multiplex, piepschuim, plakband, lijmklemmen, stanleymessen, wattenstokjes, penselen en scharen maken de bouwsels ten slotte hun opwachting. Op een paar zwartwit-foto’s is Kunert als een Gulliver in zijn atelier te zien. Hoe tijdrovend de bouwsels ook geweest mogen zijn, ze hebben slechts één doel: uitmonden in een kleurenfoto, genomen door hun demiurg, vanuit een uitgekiende gezichtshoek, met uiterst precieze belichting, pseudo-daglicht of een beetje spookachtiger.

Het is weliswaar een mensenwereld die Kunert vervaardigt – flats en utiliteitsbouw, wegen, trottoirs, loketten, portiersloges, exterieurs en interieurs –, maar mensen maken er geen deel van uit. De bewoners of gebruikers zijn misschien op komst, of net even weg. Wel hangen er uitgeklopte kleden over balkons en steken er kranten uit brievenbussen. Het zijn in hun welgekozen detailleringen ogenschijnlijk realistische werelden, maar het onheil of de onmogelijkheid is niet ver weg.

Alle foto’s spelen een spel met de wereld zoals we die 1:1 kennen. Maar het gaat om een zorgvuldig gearrangeerde werkelijkheid. Op een prachtige foto valt kunstlicht naar buiten in een tuin. Het licht komt uit een zaal waarin we een gedekte tafel zien staan, wachtend op de gasten. Die tafel staat met het uiteinde tegen een heel hoog, breed, tot de vloer reikend raam. Buiten, direct tegen het raam aan, als het ware aan het hoofd van de tafel, staat een stoel in de sneeuw, met een wit laagje op zitting en leuning. Het zou een still kunnen zijn van een filmdroom, of een doek-zonder-mensen van Hopper.

Kunert heeft een voorkeur voor architectuur die op haar retour is. Zijn vaak ronduit lelijke bouwwerken worden juist in hun vergankelijkheid uiterst aandachtig zo niet liefdevol weergegeven. Kunert is een meester in stucwerk en beton waar het weer in is gekomen. Hij verlustigt zich in profielen van ramen en deuren met gebutste randen. Hij is verzot op afgetraptheid en op armetierige natuur: planten in vensterbanken die het nog net volhouden, bomen die op sterven na dood zijn.

Het gaat hem bij dat al om sterke tegenstellingen: horizontaal versus verticaal, boven-de-grond en eronder, binnen en buiten, voor- en achterzijde. Deze foto’s ontregelen, de dreiging is voelbaar. De klap, het ongeluk, het einde – ze zullen niet lang uitblijven. De ruimtes van Kunert zijn uit op non-communicatie en op botsing. Alles is in gereedheid gebracht voor de nachtmerrie. Door een spleet tussen de kalme en aftandse huizen zien we een glimp van de Autobahn pal erachter. Het balkon, waar zojuist nog iemand iets heeft gedaan met een borstel, hangt vlak boven een glimmende spoorbaan. En het is alsof de spoorbaan en het huis dat geen van beide weten. De ingang tot een agressief ogend museum voor moderne kunst, zeker tien meter boven het trottoir, is onbereikbaar. Ook drie wc’s (vrouwen, mannen, invaliden) in een soort fabriekshal zullen halsbrekende toeren vereisen: we zien klimijzers, eerst loodrecht, dat is nog te doen, maar verderop horizontaal onderlangs.

Enfin, goedgebouwde grappen zijn deze wonderlijke werkstukken van Kunert hoe dan ook. Er zijn niet zoveel boeken waar je meteen een veel beter humeur van krijgt. Dit is er een van.