Temps perdu

Er kwamen oude vrienden uit Engeland logeren. We hadden elkaar al veel te lang niet gezien. Normaal gesproken als er mensen uit het buitenland over komen, probeer je te bedenken welke toeristische highlights in Amsterdam leuk voor ze zijn. Zijn ze meer het type Marcel Wanders-tentoonstelling in het Stedelijk en/of willen ze een joint roken in de Bulldog? In dat laatste geval vind ik het overigens leuker om ze mee te nemen naar The Kashmir Lounge in de Jan Pieter Heijestraat. Maak je een rondvaart? Treedt er toevallig een leuk bandje op in Paradiso of de Melkweg? Is er tijd voor een uitstapje naar pannenkoekenhuis De Witte Swaen in Broek in Waterland? En de vraag is natuurlijk niet óf maar wannéér we dan kroketten gaan eten bij Van Dobben in de Korte Reguliersdwarsstraat. Al met al ben ik me altijd zeer bewust van mijn ambassadeursrol in Amsterdam, een taak die ik niet licht opvat. Maar in dit geval was het anders. Mijn Engelse vrienden hebben namelijk eerder al jaren in Amsterdam gewoond. Nog voor ik ook maar kon beginnen met eventuele plannen maken, kreeg ik WhatsApp-berichten van ze met: „Gaan we weer lekker Witte Antonia’s drinken in De Bekeerde Suster?” en: „We gaan toch wel roti eten bij Lalla Rookh? Nu al zin in!”

Ik twijfelde even of ik moest zeggen dat Lalla Rookh (in de Wijttenbachstraat) vrij ver fietsen is van waar ik tegenwoordig woon, dat we dichterbij ook heerlijke Surinaamse eethuizen hebben (Riaz, in de Bilderdijkstraat bijvoorbeeld). En dat ik de laatste tijd – als we dan toch in Oost waren – meer hield van de biertjes van Brouwerij ’t IJ. Maar net op tijd besefte ik dat het daar niet om ging. Iedereen vindt het prettig om oude woonplaatsen opnieuw te bezoeken en om dan aan te wijzen waar je vroeger naar school ging, om de route naar je vroegere huis zoveel jaar na dato weer eens te lopen en jezelf erop te betrappen dat je hoopt dat er zoveel mogelijk hetzelfde is gebleven. (Ik zeg dit, me bewust van het feit dat ik geen idee heb waar ik het over heb omdat ik tot mijn grote schaamte nog nooit in een andere stad heb gewoond, op een paar schamele maanden San Francisco na. Erger nog: ik woon momenteel drie meter verwijderd van mijn ouderlijk huis. Drie meter de lucht in. Maar dit geheel terzijde.) Wat ik zeker weet is dat het heerlijk is om oude boeken te herlezen (terwijl alle delen Proust je ook nog onaangeraakt aanstaren). Daarom kijk je zo graag je favoriete romcom voor de zeventiende keer; dan weet je tenminste waar je aan toe bent en daar hebben we soms behoefte aan. Tegen een kok zeggen: „Wat raadt u aan? Maakt u maar wat”, kan heerlijk uitpakken, maar soms is het gewoon bloed irritant als de chef pardoes je lievelingsgerecht van de kaart heeft gehaald in het kader van „we moeten verassend en vernieuwend blijven”.

Dus fietsten mijn vrienden en ik gemoedelijk door de regen naar een betrekkelijk onsfeervol Surinaams restaurantje in Oost, waar het eten desalniettemin heerlijk was en waar de gesprekken nog beter waren. Waar het om ging was dat het weer was zoals vroeger. Dat we veel „weet je nog?” konden zeggen. En dat we het dan ook echt nog wisten. Er was in al onze levens al genoeg veranderd.