Stoornis los je niet op met opvoeden

Breng de kinderpsychiatrie onder bij specialisten en niet bij de gemeenten, schrijft Robert Vermeiren.

Een bastion van angstige professionals dat zichzelf in stand wil houden. Dat schreef cultuurpsycholoog en voormalig Eerste Kamerlid Jos van der Lans (GroenLinks) op Socialevraagstukken.nl over de kinderpsychiatrie, nadat hij een psychiater had horen beweren dat gemeenten in de toekomst zouden kiezen voor lantaarnpalen in plaats van kinderen. In één adem veegde hij alle kritiek van tafel op de voorgestelde transitie, de overheveling van alle zorg voor jeugd naar gemeenten.

Ik begrijp zijn kritiek op onze sector. De kinderpsychiatrie is het afgelopen decennium onvoldoende beschikbaar geweest. Voor kinderen die in het slop zaten wegens gedragsproblemen en voor kinderen uit gezinnen die verstrikt waren in een kluwen van problemen. Dat kwam omdat sommige kinderpsychiaters gedragsproblemen niet tot hun verantwoordelijkheid rekenden. Daardoor kwamen moeilijke kinderen bij de ‘Jeugdzorg’ terecht, vaak na contact met politie en justitie. Uit eigen onderzoek (2012) weet ik echter dat kinderen die met justitie in contact komen zelden alléén maar gedragsproblemen hebben. Civielrechtelijk geplaatste kinderen, bijvoorbeeld, schreeuwen om psychiatrische zorg. Zo heeft maar liefst driekwart van de in gesloten inrichtingen geplaatste meisjes een verleden van ernstig misbruik. Ze hebben zware psychotrauma’s opgelopen. Deze meisjes horen niet in gesloten jeugdzorginstellingen maar hebben psychische zorg nodig. De realiteit is anders: nergens is het aantal gesloten ‘Jeugdzorg’-plaatsen zo hoog als in Nederland.

Ondertussen groeide kinderpsychiatrie enorm. De afgelopen tien jaar verdubbelden de uitgaven. De overheid stimuleerde de zorg om de torenhoge wachtlijsten weg te werken. Met resultaat. Dankzij de extra uitgaven is de kinderpsychiatrie erin geslaagd om talloze gezinnen, die eerder in de kou bleven staan, te helpen. Tegelijk is fors geïnvesteerd in efficiëntie, waardoor de laatste jaren meer kinderen behandeld werden voor hetzelfde bedrag. Onder meer omdat kinderen vaker thuis behandeld worden, in plaats van opgenomen.

Tegelijk woedde in Den Haag een storm. Terwijl het aantal kinderpsychiatrische diagnoses en voorgeschreven medicatie bleef toenemen, kwamen wethouders met andere verhalen. Verhalen over kinderen uit complexe gezinnen, met tientallen hulpverleners die allemaal langs elkaar heen werkten. Over kinderen die door versnippering, gebrek aan samenwerking tussen jeugd-ggz, jeugdzorg en andere hulpverleners, tussen wal en schip vielen. Op de koop toe berichtte de pers over vreselijke incidenten als met Savannah. Natuurlijk bracht dat een schok teweeg.

Meer dan tien jaar hadden ambtenaren gewerkt aan een verandering van de Wet op de Jeugdzorg, die nu zinloos bleek te zijn geweest. In 2009, amper vier jaar na de invoering, volgde al een ‘parlementaire zelfreflectie’. De knelpunten die tijdens de zittingen met deskundigen opdoken spreken boekdelen (zie: ‘Toekomstverkenning Jeugdzorg’). Over de kinderpsychiatrie staat daarin: „Ondanks de stijging van budget ontberen nog altijd veel kinderen/gezinnen de jeugd-ggz-hulpverlening. Zeker wanneer het gaat om een multiprobleemgezin blijft de jeugd-ggz buiten beeld.”

Het was de periode van eigen kracht en de civil society. De oplossing leek daar te vinden: hulp moest naar de buurt, dichter bij het gezin. Met vroegtijdige signalering, zodat opgroei- en opvoedproblemen snel aangepakt konden worden. En integraal: álle zorg voor jeugd zou voortaan jeugdhulp heten. Rapporten met sprekende titels als ‘Geen kind buitenspel’ beschreven de toekomst. Die zou met één financieringsstroom, via de gemeenten, geregeld worden. De Transitie was geboren.

De overtuiging dat vroeg, tijdig en dichtbij zorg verlenen ‘zware’ specialistische hulp zou doen afnemen, was sterk. Recent nog ervoer ik dat in een gesprek met een orthopedagoog die roerganger was van deze beweging en adviseur van de wet. Ik kon hem er niet van overtuigen dat E., een 12-jarig meisje met een psychose, nooit beter zou worden. De psychose had ze namelijk door een ongeneeslijke neurologische aandoening waaraan ze uiteindelijk zou overlijden. Hij geloofde oprecht dat vroeginterventie zelfs háár toekomst had kunnen veranderen. Hij toonde een onthutsend gebrek aan kennis over de psychiatrie, met serieuze consequenties.

In deskundigenpanels van ‘parlementaire zelfreflectie’ in 2009 was de kinderpsychiatrie vrijwel afwezig. Ze heeft zich niet laten horen en had geen idee van wat er in Den Haag broedde. Niemand had er de commissie die de Wet op de Jeugdzorg evalueerde er op gewezen dat 80 procent van alle gezinnen in de jeugd-ggz géén bemoeienis met Jeugdzorg heeft. Niemand had de Kamercommissie uitgelegd dat de kinderpsychiatrie méér doet dan onterecht ADHD-ers behandelen. Niemand had benadrukt dat E. en vele anderen ernstige medisch-specialistische problemen hebben die in het medisch-verzekerde domein horen. Zo kon het gebeuren dat de kinderpsychiatrie in de eerste versie van de Jeugdwet (juli 2012) een gemeentelijke voorziening werd. De Wet op de Geneeskundige Behandelovereenkomst verviel, ook voor kinderen met psychose, anorexia nervosa of ernstige depressie. Het beroepsgeheim zou voor hen niet meer gelden. Doorverwijzing door andere medici, zoals huisarts en kinderarts, zou niet meer mogelijk zijn. Dat zou voortaan slechts geschieden via één centraal punt: het sociale wijkteam.

Aanvankelijk kon niemand in de ggz het geloven. Dat E. geen aanspraak meer zou kunnen maken op verzekerde zorg. Wel voor haar neurologische ziekte, maar niet voor haar psychose. Dat zou immers een sociale voorziening worden. Discriminerend en stigmatiserend. De huisarts, kinderarts of neuroloog zouden haar niet meer rechtstreeks naar de kinderpsychiater kunnen doorverwijzen. Daartegen is het verzet ontstaan. Niet enkel van professionals, ook van ouders. Maar liefst 70.000 van hen hebben tekenden de petitie Zorg over de Jeugd-ggz. Intussen heeft de Tweede Kamer een fors aangepaste Jeugdwet aangenomen, waar nu de Eerste Kamer zich over buigt. Die onderschrijft de uitgangspunten. Ze heeft tegelijk nog grote zorgen, onder meer over de toegang tot zorg, over de privacy en over de uitvoerbaarheid. Vóór 14 januari moet de staatsecretaris duidelijkheid verschaffen op 28 punten.

In de gretigheid om de problemen aan te pakken creëert de overheid een nieuw probleem. Gemeenten verantwoordelijk maken voor medisch-specialistische zorg aan kinderen met ernstige psychiatrische stoornissen, is onverstandig. Deze zorg is namelijk zowel onvoorspelbaar als kostbaar. De kinderpsychiatrische zorg van E. vorig jaar kostte, enkel in mijn instelling, 142.121 euro (excl. kosten universitair ziekenhuis, weekend- en thuisbegeleiding). Vanaf 2015 zou elk van de 408 gemeenten zelf verantwoordelijk worden voor dergelijke financiële risico's. Onhaalbaar. Die kunnen enkel opgevangen in een landelijk verzekeringssysteem waarin solidariteit als principe geldt. Mijn vrees is daarom niet dat gemeenten zullen kiezen voor lantaarnpalen in plaats van kinderen. Mijn vrees is dat gemeenten geen geld meer zullen hebben voor lantaarnpalen.