Opinie

Rugby, diplomatie en oude oorlogswonden

Twee vrienden uit Bosnië, samen opgegroeid, waren onafscheidelijk tot ze door de oorlog in de jaren negentig tegenover elkaar kwamen te staan. De één, Sasa, was Serviër en zou in het leger onder dwang een bekende van hun beide vaders hebben doodgeschoten. De ander, Emile, die als moslim gold omdat zijn vader moslim was, vluchtte naar Nederland. Jaren later probeerden ze voorzichtig het contact weer op te pakken.

Hoe moeilijk en pijnlijk dat bleek, was te zien in het onvergetelijke project Videoletters, van Katarina Rejger en Eric van den Broek. Deze documentairemakers lieten vrienden, buren en collega’s uit het voormalige Joegoslavië, die elkaar door de oorlog uit het oog waren verloren en elkaars vijand waren geworden, weer contact met elkaar opnemen via videoboodschappen.

De filmpjes, waarvan er sommige nog op internet te zien zijn, tonen hoe moeizaam de oude wonden van de oorlog helen – ook bij vrienden als Sasa en Emile, die het verleden wel zouden willen laten rusten, maar dat niet zomaar kunnen. Want er is in hun levens te veel gruwelijks gebeurd. Meer dan 120.000 mensen zijn in de Joegoslavische oorlogen omgekomen, midden in Europa vonden tot 1999 aan toe ‘etnische zuiveringen’ plaats. Stap daar maar eens over heen, als het om je familie, je buren, jezelf gaat.

Zo ontroerend als het is om te zien hoe oude vrienden dat toch proberen, zo indrukwekkend is het ook als politici zich ertoe zetten de oude vijandschap te overwinnen.

De premiers van Servië en Kosovo zijn nooit vrienden geweest. Ivica Dacic was jarenlang woordvoerder van de Servische president Slobodan Milosevic, wiens giftige nationalisme het grote bloedvergieten in gang zette. Dacic werd zelfs, naar zijn mentor, ‘de kleine Sloba’ genoemd.

Hashim Thaci was leider van het paramilitaire Kosovaarse bevrijdingsfront, dat streed voor de afscheiding van Kosovo van Joegoslavië. Ondanks hardnekkige verhalen over zijn banden met de georganiseerde criminaliteit, is hij al sinds de onafhankelijkheid in 2008 premier van Kosovo.

Deze twee mannen vertelden zondag, op een internationale conferentie in München, ontspannen hoe en waarom ze het eeuwenoude verleden vol haat en bitterheid uiteindelijk de rug hadden toegekeerd. Het draaide om twee woorden: toekomst en Europa. Servië wil nog steeds de onafhankelijkheid van zijn voormalige provincie Kosovo niet erkennen, maar de premier beseft dat zijn land niet in zijn isolement kan blijven zitten en vooruit moet. Het bruto nationaal product van Servië is nu 65 procent van wat het 25 jaar geleden was. Hoe kan je dan niet voor een koerswijziging zijn?, vroeg hij. En die nieuwe koers is richting de Europese Unie.

Beide mannen gaven toe dat hun achterban liever had gezien dat ze nog altijd ruzie maakten. Maar in april hebben ze na lange, moeizame onderhandelingen een akkoord gesloten over normalisering van de betrekkingen. Het perspectief van toenadering en uiteindelijk toetreding van de Europese Unie was dé motiverende factor.

De diplomaat die de twee premiers afgelopen jaren vrijwel onzichtbaar maar met grote vasthoudendheid naar hun akkoord had geloodst, was de vaak onderschatte EU-buitenlandcoördinator Catherine Ashton. In München zat ze tussen beide mannen in, stil trots op wat zij en de EU hebben bereikt voor de stabilisering van die licht ontvlambare regio. Onder de bevolking van de twee landen is de wederzijdse vijandigheid nog groot. Maar toch worden in navolging van de diplomatie ook op straatniveau stapjes gezet, zoals de oprichting van een etnisch gemengde rugbyclub. Oude oorlogswonden helen niet vanzelf.