Ook rappers hebben recht op literaire vrijheid

Dat het werk van een schrijver niet per se autobiografisch is, weten we. Maar waarom nemen we teksten van rappers dan wel altijd serieus, vraagt Thomas Heerma van Voss zich af.

Stel: je schrijft een verhaal waarin je iemand doodt, en een week later wordt diegene werkelijk vermoord aangetroffen. Mag dat verhaal dan in een zaak tegen jou als bewijs worden aangevoerd? Of als je een videoboodschap op YouTube zet met de vooraankondiging van iemands dood – wanneer kan het gelden als juridisch bewijs?

Sinds afgelopen maand houdt het Hooggerechtshof in New Jersey zich bezig met de merkwaardige zaak tegen Vonte Skinner. Skinner, een 34-jarige, Afro-Amerikaanse drugsdealer en aspirant-rapper, werd in 2008 tot dertig jaar veroordeeld voor de moord op Lamont Peterson, eveneens een drugsdealer. In 2012 werd deze veroordeling teruggetrokken: onvoldoende bewijs. Of eigenlijk: onovertuigend bewijs.

Het belangrijkste onderdeel van de bewijslast was een boekje dat bij Skinner thuis werd gevonden. Daarin stonden talloze van zijn rapteksten, vol ongerichte bedreigingen, beschrijvingen van verkrachtingen en wapengekletter, en die werden vervolgens gezien als argument om hem te veroordelen.

In Amerika kreeg de zaak veel media-aandacht. Er ontstonden meteen twee kampen. Voorstanders van Skinners veroordeling gebruiken de gelegenheid om het excessieve geweld binnen hiphopnummers aan te vallen. Tegenstanders beweren dat er sprake is van racisme, dat de vrijheid van meningsuiting in het geding is en dat de aangetroffen teksten bovendien niet specifiek over het slachtoffer gaan.