Ook rappers hebben recht op literaire vrijheid

Een bulldozer aan het werk bij een kolenmijn in Kentucky. 40 procent van de uitstoot van CO2 in de VS komt door kolen. Het is de meest vervuilende energiebron.
Een bulldozer aan het werk bij een kolenmijn in Kentucky. 40 procent van de uitstoot van CO2 in de VS komt door kolen. Het is de meest vervuilende energiebron. Foto AFP

Stel: je schrijft een verhaal waarin je iemand doodt, en een week later wordt diegene werkelijk vermoord aangetroffen. Mag dat verhaal dan in een zaak tegen jou als bewijs worden aangevoerd? Of als je een videoboodschap op YouTube zet met de vooraankondiging van iemands dood – wanneer kan het gelden als juridisch bewijs?

Sinds afgelopen maand houdt het Hooggerechtshof in New Jersey zich bezig met de merkwaardige zaak tegen Vonte Skinner. Skinner, een 34-jarige, Afro-Amerikaanse drugsdealer en aspirant-rapper, werd in 2008 tot dertig jaar veroordeeld voor de moord op Lamont Peterson, eveneens een drugsdealer. In 2012 werd deze veroordeling teruggetrokken: onvoldoende bewijs. Of eigenlijk: onovertuigend bewijs.

Het belangrijkste onderdeel van de bewijslast was een boekje dat bij Skinner thuis werd gevonden. Daarin stonden talloze van zijn rapteksten, vol ongerichte bedreigingen, beschrijvingen van verkrachtingen en wapengekletter, en die werden vervolgens gezien als argument om hem te veroordelen.

In Amerika kreeg de zaak veel media-aandacht. Er ontstonden meteen twee kampen. Voorstanders van Skinners veroordeling gebruiken de gelegenheid om het excessieve geweld binnen hiphopnummers aan te vallen. Tegenstanders beweren dat er sprake is van racisme, dat de vrijheid van meningsuiting in het geding is en dat de aangetroffen teksten bovendien niet specifiek over het slachtoffer gaan.

Geweld hoort bij het genre

Skinner schreef tientallen gewelddadige coupletten. Op papier lijken die ongewoon gewelddadig, maar binnen de context van de hiphop zijn ze volkomen normaal. Toen het genre begin jaren tachtig in arme Amerikaanse achterstandswijken opkwam, was het vooral een manier voor stemlozen om zichzelf een stem te geven. Nu konden ze meedoen met het maatschappelijke debat en onderwerpen bespreken die de reguliere media links lieten liggen. Geweld was lang niet het enige onderwerp, maar speelde wel een fundamentele rol – zowel vanuit het perspectief van slachtoffer als van dader.

In de decennia die volgden werd hiphop steeds populairder, wat het voor sommige rappers lastig maakte een houding aan te nemen, want hoe kun je vol overtuiging beweren dat je in het getto rondstruint met een pistool in je binnenzak als je in de tussentijd miljoenen albums verkoopt en over de hele wereld optreedt?

Gaandeweg zijn hiphopartiesten uitgegroeid tot personages. De extreem populaire rapper Rick Ross beweert bijvoorbeeld al jaren dat hij een beruchte crimineel is, met een groots, gevaarlijk verleden. In werkelijkheid omringt hij zichzelf met bodyguards en slaapt hij in luxueuze hotels. Geen enkele luisteraar maalt daar om. In de jaren tachtig was hij uitgemaakt voor huichelaar en weggehoond, nu neemt men genoegen met een goed verteld, spannend verhaal.

Wat rappers onderscheidt van andere artiesten is niet de waarheidsgetrouwheid of de omvang van het door hen beschreven geweld, maar de manier waarop dat geweld geïnterpreteerd wordt. Inhoudelijk zit er geen noemenswaardig verschil tussen de verhalen van Rick Ross, Al Pacino in Scarface of de moordlustige hoofdpersoon uit Bret Easton Ellis’ American Pyscho.

En toch zou een acteur of auteur nooit veroordeeld worden op grond van zijn werk. Schrijvers komen weliswaar af en toe in opspraak omdat men hun boeken als verslag van de werkelijkheid ziet (W.F. Hermans werd zelfs aangeklaagd voor Ik heb altijd gelijk), terwijl andere auteurs juist zijn bekritiseerd omdat hun als waarheid gepresenteerde werk verzonnen bleek (denk aan Maria Mosterd, Boudewijn Büch en Carl Friedman). Maar uiteindelijk kwamen die discussies allemaal neer op dezelfde, vrij basale kwestie: gaat het om feit of fictie?

Het moet gezegd, die verwarring tussen fictie en werkelijkheid houden rappers ook graag zelf in stand. Waar acteurs buiten de set hun masker vaak direct af doen, en auteurs benadrukken dat hun personages niet biografisch zijn, is het voor rappers gangbaar het zelfgeschapen beeld zo veel mogelijk vast te houden. Nagenoeg overal binnen de hiphop vallen acteur en personage samen – soms zo nauw dat ze voor de leek amper te onderscheiden zijn.

Toen rapper 50 Cent jaren geleden de hoofdrol vertolkte in de speelfilm Get rich or die tryin’, en er door heel Amerika affiches hingen waarop hij een pistool in de hand hield, klonken er protesten: slecht voorbeeld voor de kinderen, het zou aanzetten tot geweld. Met zijn reactie maakte 50 Cent een valide punt: waarom mag ik niet zo op een poster staan, voor figuren als Stallone en Schwarzenegger is toch al tientallen keren zo reclame gemaakt?

We geloven rappers op hun woord

Er kwam geen overtuigend weerwoord, toch werden de meeste posters verwijderd. De New York Times schreef afgelopen week over een onderzoek van de California State University, waarin deelnemers meerdere hypothetische zaken omtrent achttienjarige donkere mannen kregen voorgeschoteld. Wat bleek: men veroordeelde de paar verdachten over wie werd gezegd dat ze ook gewelddadige rapteksten hadden geschreven veel eerder dan hun niet rappende evenbeelden.

Hiphopartiesten worden eerder op hun woord geloofd dan hun vakgenoten in de creatieve wereld. Wellicht maakt dat het genre voor sommigen zo overtuigend, maar binnen een juridische context is het een gevaarlijke houding. Natuurlijk, er zullen ongetwijfeld voorbeelden zijn van rappers die het in hun nummers hebben over misdaden die ze werkelijk begingen. En nee, het valt de rechter niet te verwijten dat hij een boek vol met Skinners teksten behandelt als potentieel bewijs. Bedreigingen krijgen tenslotte juridisch gewicht als de geadresseerde dood wordt aangetroffen.

Maar de kracht van dergelijk bewijs kan niet ingeschat worden door buitenstaanders in een rechtszaal, die moet beoordeeld worden door mensen die begrijpen wat voor spel er door hiphopartiesten wordt gespeeld – een spel vol hyperbolen en grootspraak, waarin net zoals bij alle kunstvormen een aanzienlijk deel verzonnen is, en waar je, zodra je elke opmerking als feit ziet, het hele kunstzinnige uit het werk verwijdert.