Niets zo ondoorgrondelijk als een echtpaar

In achttien onderling verbonden monologues intérieurs belicht Reza op een hilarische manier de worsteling met het mens-zijn. Er is hoop voor wie zijn pijn weg kan lachen, lijkt deze roman te zeggen.

‘Een echtpaar valt niet te begrijpen, zelfs niet als je er deel van uitmaakt’
‘Een echtpaar valt niet te begrijpen, zelfs niet als je er deel van uitmaakt’ Foto Hollandse Hoogte

Gelukkig de gelukkigen – het is in de pen van Yasmina Reza een verzuchting die meer weg heeft van een verwensing. Dacht u dat de mens geschapen was voor het geluk? Hoogstens zijn er, bij Reza, mensen die er enige aanleg voor hebben. De meesten happen in het zand, worstelen met hun eenzaamheid en hun angst voor de dood.

Het zijn terugkerende thema’s in het magnifieke oeuvre van Yasmina Reza (1959). Reza, dochter van een Joods-Iraanse ingenieur en een Hongaarse violiste, studeerde theaterwetenschap en sociologie in Nanterre, begon haar carrière als actrice, maar besloot al snel zelf stukken te schrijven evenals romans en filmscenario’s. Ze werd wereldberoemd met haar toneelstukken Kunst bijvoorbeeld en Conversaties na een begrafenis, voorstellingen waar je, ondanks of juist dankzij de zwarte humor, vrolijk, energiek en bijna gelouterd uitkomt.

Zeven jaar geleden publiceerde ze een literair portret van Nicolas Sarkozy, die ze op zijn campagne had gevolgd, ze raakte in zijn ban. Op het moment dat hij daadwerkelijk president werd, keerde ze zich van hem af, de obsessie verdween: wat haar interesseerde was de man in wording, niet de functionaris in het zadel. Het gaat haar om de beweging en het spanningsveld, niet om de verstarring en de status quo.

Reza is een taalvirtuoos: haar portret van Sarkozy schilderde ze met pasteltinten, maar doorgaans is haar taal scherp, hilarisch, niet zelden wreed en venijnig. Geen onderhuidse scheur in een huwelijk die ze niet in het volle licht zet, geen desillusie die ze niet volledig uitbuit. Echtparen, moeder-dochterrelaties en de verhouding tussen vader en zoon – ze heeft ze in haar werk stuk voor stuk genadeloos gefileerd.

In haar recente roman Gelukkig de gelukkigen, die overigens knap is vertaald door Eef Gratama, haken al dit soort relaties in elkaar. Het boek bestaat uit achttien monologues intérieurs van mensen die ook in het dagelijks leven onderling met elkaar verbonden zijn, ook al weten ze dat soms niet. Als in een carrousel krijg je steeds een nieuwe scène voorgeschoteld, waar door je langzamerhand een steeds beter beeld krijgt van een vrienden- en kennissenkring. Net als in Roem van de Duitse schrijver Daniel Kehlman bijvoorbeeld, een roman ‘in negen verhalen’, zijn alle elementen op een ingenieuze manier met elkaar verbonden: door middel van een personage of een situatie die verschillende figuren meemaken.

Neem de onvergetelijke openingsscène van het boek, geschreven vanuit het oogpunt van de journalist Robert Toscano: een echtelijk dispuut met zijn echtgenote Odile, in een overvolle supermarkt. Stress, deadlines en verhitting in de overvolle winkel leiden tot een hoogoplopende ruzie over welke soort kaas er gekocht moet worden. ‘Vrouwen grijpen alles aan om je af te kammen’, denkt Toscano op een gegeven moment, ‘ze vinden het heerlijk om je te laten merken dat je een loser bent’. Hij heeft er genoeg van zich week in week uit te laten commanderen door een bitse vrouw, bedenkt hij. Woordeloos zitten ze even later naast elkaar in de auto naar huis. ‘Niets is zo ondoorgrondelijk als een echtpaar’, denkt een ander personage, ‘een echtpaar valt niet te begrijpen, zelfs niet als je er deel van uitmaakt.’ Diezelfde Odile van het stuk Franse kaas, advocaat van beroep, spreekt een paar dagen later bevlogen een volle raadszaal toe, bewonderend gade geslagen door de man met wie ze een verhouding heeft. Ze vrijen, ze eten in een sfeerloos restaurant, de roes verdwijnt en ze maken zich op om huiswaarts te gaan. Haar minnaar wordt overvallen door paniek, ‘de angst om alleen achter te blijven’.

Reza neemt je vanuit een burleske absurditeit in een handomdraai mee naar de menselijke tragiek. Een van de echtparen in haar menselijke carrousel verbergt bijvoorbeeld het feit dat hun zoon is opgenomen in een psychiatrische kliniek: hij heeft een dusdanig heftige obsessie met de Quebecse zangeres Céline Dion dat hij zich volledig met haar heeft geïdentificeerd, hij ís Céline. En wat te denken van de man die dermate gokverslaafd is dat hij zijn klaverkoning opeet op het moment dat zijn vrouw bij het bridgen een verkeerd bod doet? Alleen de lach werkt bevrijdend, alleen dan komt de opgekropte emotie los. Er is hoop voor wie zijn pijn kan weglachen, lijkt Reza te suggereren.

Het boek eindigt even hilarisch als het begon: met een dispuut over een sporttas met daarin de lege urn van een zojuist in de rivier verstrooide man. ‘Je vader ligt in de rivier, alles volgens plan’, zegt de weduwe, ‘en nu ga ik met mijn tas terug naar Parijs’. Als geen ander is Reza in staat onze worsteling met het mens-zijn op een hilarische manier tot behapbare proporties terug te brengen. Het maakt Gelukkig de gelukkigen tot een verrukkelijk boek.