Negeren, verzwijgen, omzeilen en falen

Een stel dat haast zijn vliegtuig heeft gemist, belandt op een eiland met een koppel dat eigenlijk niet zo aardig is. Merijn de Boer schiep een man die een abonnement heeft op falen, maar weigert te lijden.

Dat De nacht een doorlopende uitnodiging tot gepuzzel is, wordt al vroeg in de roman duidelijk. Marcel, een dertiger, staat op de eerste pagina met de koffers bij de uitgang van een advocatenkantoor op zijn vriendin Lidia te wachten. Ze zullen een vliegtuig pakken richting een zonnig oord. Hij telt het aantal blauwe stropdassen dat passeert (23), en antwoordt ‘vijf minuten’ als Lidia vraagt hoe lang hij daar al staat. Dan volgt de biecht die alleen tot de oren van de lezer is gericht: ‘Ik had drie kwartier staan wachten.’ Uit de Schiphol-beschrijving die dan volgt wordt duidelijk dat Marcel en Lidia hun vlucht nog maar net hebben weten te halen.

Waarom belde Marcel Lidia niet, of liep hij het kantoor niet binnen om haar aan haar jasje te trekken? Waarom liegt hij haar voor? Waarom lijken ze niet eens een afspraak te hebben gemaakt over het tijdstip waarop hij haar op zou komen halen? Waarom, en dat is het knappe, krijg je de indruk dat het Marcel niets lijkt te interesseren of die vlucht nu wel of niet gehaald wordt?

Merijn de Boer (1982), wiens verhalenbundel Nestvlieders in 2011 meteen werd beloond met de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs, lijkt zich met het schrijven van zijn romandebuut in de eerste plaats te hebben voorgenomen om van Marcel een zo buitenissig mogelijk personage te maken. Dit doet hij aanvankelijk door hem geforceerd archaïsch te laten spreken (er is sprake van ‘kasteleinsdochters’ en een ‘cholerische’ projectontwikkelaar). Daarna laat hij kruimelsgewijs aanwijzingen vallen over het vorm- en richtingloze bestaan van zijn held. In deze Marcel blijken een alcoholist, een werkloze en een stiekeme minnaar van vrouwen (alle leeftijden) schuil te gaan.

We komen dit aan de weet op het eiland waar Lidia en Marcel hun vakantie doorbrengen, en waar ze al snel opgescheept zitten met een ander Nederlands stel. Waarom deze vier mensen ondanks een verschillende levenshouding toch zo aan elkaar blijven plakken is onduidelijk, maar het gebeurt. Milan van Mosselveld, een verbaal-agressieve en even rijke als smakeloze zakenman, blijft er een ongekend genoegen in scheppen om de klaploper Marcel zo diep mogelijk te vernederen. Marcel laat het zich aanleunen en doet niets om het vijandige stel te omzeilen.

De geslaagde vorm van verdwazing, ook in Nestvlieders aanwezig, is ook in De nacht aan te treffen. Dit komt doordat de verhalen die er bestaan steeds worden bijgesteld, en soms om onduidelijke gronden, worden verzwegen. Het gevolg is dat de beschreven vakantie als een diaserie voorbijkomt: de dia’s hebben met elkaar te maken, maar sluiten niet op elkaar aan.

Zo is er Milans vriendin ‘Trutje’, die Marcel en Lidia lange tijd ten onrechte voor een befaamde oud-sloerie uit het studentenmilieu aanzien, en zo besluit diezelfde ‘Trutje’ het niet aan de grote klok te hangen wanneer ze Marcel met de broek op de knieën betrapt in de nabijheid van haar minderjarige dochter. Dat springerige, die weigering om het verhaal een uitgeharde vorm aan te laten nemen, is ook terechtgekomen in Marcels eigen taalgebruik. Dat staat, vooral in het begin van het boek, bol van de maren, desalnietteminnen, overigensen en hoewellen. Gaandeweg leert Marcel het praten als een 19de-eeuwer af en drukt hij zich steeds minder omfloerst uit.

Je krijgt de indruk dat De Boer doelbewust allerlei dramatische omstandigheden een boek in heeft willen schrijven dat geen drama mocht worden. Wanneer het ook maar een beetje in de buurt komt van het schrijnende of komische, wordt dat voortijdig de kop ingedrukt. Een man die aankondigt een leuke mop paraat te hebben mag die niet vertellen, een misdrijf komt niet aan het licht, grofheden worden verkondigd alsof men het over het weerbericht heeft: de anti-climax regeert.

Op een of andere manier past deze verteltechniek heel goed bij Marcel, een man die een abonnement op falen heeft, maar weigert tot lijden over te gaan. Dat hij al vroeg meedeelt minder affiniteit met mensen van zijn eigen leeftijd te hebben dan met pubers en ouden van dagen past in die lijn. Zijn dat niet precies de mensen die zich in de ogen van een ander een misstap kunnen permitteren? Het is maar een suggestie, want de intentie van De nacht is soms even duister als de titel ervan.