Na het trauma lonken de liefde en de nieuwe seks

Judith Eiselin is een gulle schrijfster. Zij geeft haar lezers veel vlotte woorden en zinnen, veel avontuur en verwikkeling en veel vriendschap en hartstocht. Als de 11-jarige Kiki, in het jeugdboek Jim (2010), op zoek is naar iemand, dan gaat haar geen zee te hoog om hem te vinden. Als de 16-jarige Floor uit De echte Floor (2005) verliefd is, dan is ze dat meteen met huid en haar. Ook seksueel weten dit meisje en haar vriend van wanten. De eerste keer is het nog wat onwennig, maar de volgende dag doen ze het meteen vier keer achter elkaar. ‘Hard en ruig en bonkend en langzaam en tergend en bijna sukkelig, en toen weer snel.’

Een gulle schrijfster dus. Maar in Het feest van de eeuw, haar eerste roman voor volwassenen, lijkt Eiselin het over een andere boeg te gooien. Eerste zin: ‘Ik was gestopt met seks, voorgoed, dat wist ik zeker.’ Aan het woord is Elise, een vrouw van rond de veertig, die in een asiel werkt in Heiloo. Zij vindt dat ze genoeg moet hebben aan een paar vriendinnen en aan de vele honden en katten die ze verzorgt. Maar wij weten al snel dat dit niet lang gaat duren. Die rare Elise wil heus wel wat – met haar jongere collega Mustafa bijvoorbeeld, die ‘poeding’ zegt in plaats van ‘pudding’ en die aantrekkelijke ‘stoofschotelogen’ heeft en die bovendien ook verkikkerd is op haar. Wat houdt haar tegen? Zij treurt nog altijd, zo blijkt dan, om Jacob, een huisgenoot die zomaar dood ging. Zelfmoord? Te veel drank? Of kwam het door de one-night-stand met Elise?

Het feest van de eeuw volgt een eenvoudig psychologisch schema. We maken kennis met Elise in het heden (‘2013’) en krijgen een terugblik op haar woeste Amsterdamse studententijd (‘1993’), waar ‘het feest van de eeuw’ plaatsvindt. En tegen het eind van het boek, tijdens een reünie ter nagedachtenis van Jacob, opnieuw een feest van de eeuw, valt alles netjes op zijn plaats.

Als alle vragen zijn beantwoord en het trauma rond zijn dood alsnog is verwerkt, lonkt er meteen een nieuw perspectief – compleet met nieuwe liefde en nieuwe seks.

Jammer is alleen dat er zo weinig angel in het boek zit. Wat is er nou helemaal zo bijzonder aan de overleden Jacob? Had hij iets interessants te melden? Eigenlijk niet. Wist hij de dingen dan in elk geval bijzonder te zeggen? Ook dat niet. Zelfs de beschrijving van zijn dood, door ‘een geknalde ader’, is eerder amusant dan schrijnend. Neem deze passage waarin Elise afscheid neemt van hem, de eerste dode in haar leven. ‘Dit was dus een lijk’, lezen we. ‘Een lijk dat Jacob was. Of was geweest. Een lijk waar ik naar keek, dat bij mij hoorde. Mijn lijk, als het ware.’

Over alles in deze vlotte vertelling ligt een soortgelijk komisch floers, of het nu gaat over dood en verlies, het verschil tussen stad en platteland of over de hang van vrouwen naar spiritualiteit. Eiselin voert, in dit laatste verband, een ‘gaar sandalenwijf’ op, gehuld in witte lappen, dat de kost verdient met het uitventen van haar ‘emptinessbeweging’ – als tegenhanger van mindfullness. Het is een aardige vondst, die emptiness, maar het hangt er in de roman maar zo’n beetje bij, als een van de vele grappige terzijdes.

En zo is dit boek van alles wat. Een beetje psychodrama, een beetje satire, een beetje ontwikkelingsroman, een beetje streekverhaal. De grote greep ontbreekt. De geschiedenis suddert grappend en grollend voort, naar een zoetsappig happy ending in Heiloo. Misschien kan Eiselin zich de volgende keer van een wat minder oppervlakkige en goedlachse kant laten zien. Iets meer grimmigheid kan geen kwaad. De zweep erover!