Iedereen valt, maar wie krabbelt op

De aanstekelijke zinnelijkheid van Robert Ankers schrijven wordt weer nadrukkelijk ingebed in de wereld van zijn tijd. Waarin iedereen zijn hoger honing zoekt.

Het hogere, het sublieme – ergens moet het toch te vinden zijn. Dirk Wagenaar, selfmade multimiljonair in de Rotterdamse haven, meent het soms te voelen als hij op de brug van een van zijn sleepboten naast een containerschip ligt en het ‘Grote Haven Gevoel’ tot hem komt. ‘Dat reusachtige schip dat boven hem uittorent, strak in de zwarte verf met witte strepen op de uitwaaierende boeg en het toegevouwen anker, de rode onderkant met die merkwaardige naar voren stekende verlenging van de boeg, de bulb, de felle zwartblauwe golven die ertegenaan kletsen, de mannen die met de kalmte van het handwerk de kabel naar de lier voeren, de strakblauwe hemel die alles overkoepelt, het krijsen van een paar meeuwen, de vlagende wind en de Lisette die desondanks roerloos op de golven ligt, het onderdekse ronken van de motoren, zelfs de licht petrochemische geur die soms langs zijn neusgaten trekt – het vervult hem, met schoonheid dan maar.’

Even later komt Dirk – een van de figuren in Schuim, de nieuwe roman van Robert Anker – ten val op zijn schip en bezeert hij zijn arm. Hij is niet de enige die zijn evenwicht verliest. Dirks dochter Lisette is een wereldberoemd violiste – door Anker nogal opzichtig gemodelleerd naar Janine Jansen – die na een concert aan de voeten van Jaap van Zweden ineenzijgt van pure uitputting: een burn-out. De derde hoofdpersoon is Dirks schaakvriend Niels, bij wie het gebrek aan levensvervulling tweeledig is: een dominee die niet in God gelooft, gevangen in een huwelijk zonder seks. Zijn val is huiselijk: een loszittende traproede. Zijn gebrek aan houvast hangt samen met een ouderloze jeugd – hij heeft alleen een oud pistool geërfd

Van dit trio is Dirk Wagenaar de meest tot de verbeelding sprekende man: hij is een macho uit één stuk: een zeer handige ondernemer die zich prettig voelt tussen de scheepslui, maar die evenzeer een highbrow theatergroepje onderhoudt, al doet hij dat voornamelijk om zich aan de actrices te verlustigen. Hij heeft ooit een zwemkampioene aan de haak geslagen, al komen Loes en hij elkaar nog maar zelden tegen in hun villa. Ook hebben zij nog een zoon, Maarten, die zijn vader haat, imiteert en zakelijk probeert de loef af te steken. Tenslotte is er Sophie, de al te heilige echtgenote van Niels. Van Dirks kinderen is de beeldschone Lisette de oogappel – al begrijpt hij geen bal van haar muziek. Haar beschouwt hij als zijn grootste, enige liefde en liefste bezit. Toen ze zeven was heeft hij het kind op zo’n manier op schoot genomen dat er een tijdbom onder de vader-dochterrelatie werd geplaatst.

Vaders en dochters spelen vaker een prominente rol bij Anker, die ook verder in Schuim vaste kenmerken van zijn werk laat terugkomen: de aanstekelijke zinnelijkheid van zijn schrijven en het nadrukkelijk inbedden van gebeurtenissen in de wereld van zijn tijd. Zo komt de Rotterdamse politiek langs, samen met obscure bankleningen, commercialisering van de klassieke muziek, probleemwijken en Marco Borsato. De schildering van de omgeving is uitgebreid en vaak begeesterd – zie het Grote Haven Gevoel hierboven – maar bij inhoudelijke verwijzingen neigt Anker naar het cliché: de viool is natuurlijk een Stradivarius, de intellectualistische acteurs spelen uiteraard Ibsen, in het Musée d’Orsay zien we ‘de kut van Courbet’ en in het Louvre passeren we de ‘Mona Lisa’, ‘La liberté guidant le peuple’ en, jawel, Géricaults ‘Het vlot van de Medusa’: dit is de wereld niet, dit is Wikipedia.

Het zou opzet kunnen zijn, want de begeestering waar de hoofdpersonen naar zoeken is niet eenvoudig te vinden. Dat zoeken gebeurt vooral door Lisette en Niels, die een diepe en onstuimige liefde voor elkaar opvatten, precies als Dirk door een nieuwe val in een rolstoel belandt (en zijn bedrijf in zwaar weer raakt). De relatie tussen de dominee en de violiste is er een van zinderende seks en lange gesprekken over muziek en religie. Als hij over Niels schrijft, valt Anker terug op sjablonen in registratie en formulering. Lisettes ogen zijn herhaaldelijk van ‘barnsteen’ en de ouderling ‘met paardenstaart en oorringetje’ krijgt die karakterisering zo vaak dat je onwillekeurig naar een schaar gaat verlangen.

Het denkwerk van Niels zal hem nooit de vervulling brengen die haar woeste talent (ze is van de ‘ferme streek’) aan Lisette geeft. Als haar overspannenheid verdwijnt is helder dat er in haar leven slechts een tweede plaats te vergeven is – naast de muziek. Want het fanatisme waarmee zij speelt, kent alleen zijn gelijke in de ondernemingsdrift van haar vader. En is, trouwens, even seksueel geladen.

Het schuim uit de titel verwijst naar de lichaamssappen die nu eenmaal bij seks komen kijken, naar het spoor dat een boot in het water trekt en naar muziek. In alle gevallen is het even ongrijpbaar als onmiskenbaar aanwezig. Als je de gebeurtenissen en de nogal radicale ontknoping van Schuim overziet, moet je concluderen dat ook juist in het ongrijpbare, de beweging, de kracht van de roman zit. De scènes met Dirk – stellig de minst nadenkende van het stel – zijn de beste van de roman, die het niet van de gedachtevorming moet hebben. Wel van de zinnelijkheid waarop Anker mensen in hun onredelijkste momenten kan neerzetten, bijvoorbeeld wanneer de violiste haar gehandicapte vader schuimend van verontwaardiging verbaal te lijf gaat. Dan trekt Anker je uit het dorre realisme en duwt hij je naar het puntje van je stoel en raak je vervuld van, vooruit, schoonheid dan maar.