Humor en troost tussen de puinhopen

De Brauw en danser in Tauberbach
De Brauw en danser in Tauberbach Foto Chris van der Burght

Wat is dat toch met Alain Platel en zijn Ballets C de la B? Zijn bewust hulpeloze danstaal, metafoor voor het menselijk lijden, is al bijna een cliché geworden. De spasmodische stuipen van bizar verwrongen lichamen, met uitgeholde buiken, naar binnen gedraaide voeten en eng geknakte armen en benen; we kennen het, van onder meer Pitié, VSPRS, en C(H)OEURS. Platels erbarmelijke antidans flirt zo opzichtig met de motoriek van geestelijk gestoorden dat het bijna zeer doet om aan te zien. Zo houdt hij zijn publiek uiterst effectief een avond lang gevangen tussen afschuw en fascinatie.

In C(H)OEURS confronteerde hij het menselijk tekort nog met volmaakte koorzang, waardoor onvermogen en perfectie elkaar wankel in balans hielden. Maar bij Tauberbach, een coproductie met de Münchner Kammerspiele en NTGent, vergroot hij het ongemak van zijn publiek, door zijn vijf dansers te laten dansen op Bach, gezongen door doven (een project van de Poolse kunstenaar Artur Zmijewsky). Ontdaan van de perfectie klinkt Bach weliswaar menselijker dan ooit, maar zonder enige herkenbare noot, met niet de minste echo van een aardse melodie wordt de muziek tegelijk onmenselijk en bijna onverdraaglijk.

Te midden van al die onvolmaaktheid voert Platel op een vuilnishoop van kleren actrice Elsie de Brauw op, die een schizofrene zwerfster speelt, geïnspireerd op de film Estamira van Marcus Prado. De Brauw vertolkt overtuigend de verloren, in zichzelf gekeerde vrouw, die zich vastklampt aan haar betekenisloos geworden brabbeltaal. De dansers dompelen zich intussen onder in de rotzooi, spelen, zwemmen, verzuipen erin.

De metafoor is evident – verkwisting, consumptiemaatschappij –en de anekdote onbeduidend: ja, deze dolende zielen vinden schoonheid in het onvolmaakte. Dat is niet bijster origineel, en Platel moet balanceren om het publiek niet definitief af te stoten. Maar dat lukt, en hoe. Uiterst gedoseerd laat hij de schoonheid binnensijpelen. Dan zien we plots een bijna-perfecte pirouette, een fantastische solo in ‘slow motion’ of een flits van volmaakt synchrone groepsdans. Als je even met je ogen knippert heb je het gemist, maar het is er wel; schoonheid tussen de puinhopen. En verbazing. Humor. Ontroering. Zie daar het wonder van Platel: zijn danstaal mag inmiddels bekend zijn en de gezochte lelijkheid soms ergerniswekkend, maar één slim getimed, troostend beeld, en bam! – hij raakt je recht in het hart.

Het geheim schuilt hem ook in zijn performers, geschoolde dansers die als ‘acteurs’ verrassend transparant en authentiek zijn. Ze zijn allen charismatisch, maar verre van perfect – te dun, te bleek, te klein – en tonen een unieke kwetsbaarheid in hun representatie van het menselijk tekort. Aan het mooie slot staan ze zwijgend op toneel: hoopvol, nieuwsgierig, gelaten, deemoedig. Dan gaat het zaallicht aan en zien we onszelf: ons streven en falen weerspiegeld in hun blik.