Hoe een bierbrouwer Amsterdam liet bloeien

Heineken groeide meer dan eens Amsterdam uit. Anderhalve eeuw na het begin van de brouwerij blikt de stad terug op een brouwer die haar mede vormgaf.

In 1867 kregen de zaagmolens net buiten Amsterdam gezelschap. In de weilanden van de polder verscheen stukje bij beetje een nieuw, modern bouwwerk. Een stoombierbrouwerij, gebouwd in opdracht van Gerard Heineken. Symbool van de vooruitgang van Amsterdam. En nu, op nagenoeg diezelfde plek, staat daar nog steeds een Heinekenbrouwerij – al is die inmiddels in ruste. Verder is alles veranderd. Onder de goudkleurige Heinekenletters aan de gevel passeert het drukke verkeer op de Stadhouderskade.

Gerard Heineken was de eerste uit het geslacht Heineken die in het bier ging, al wist hij eigenlijk niets van brouwen, vertelt Erik Schmitz van het Stadsarchief Amsterdam. „Maar hij was een geboren ondernemer.”

Een paar jaar eerder, in 1864, kocht de 22-jarige Heineken een kwakkelende brouwerij. Dat was De Hooiberg, gelegen in de oude Amsterdamse binnenstad. Het was een van de meer dan vijfhonderd brouwerijen die Nederland rijk was.

Nu, dit weekend exact 150 jaar later, zijn in Nederland nog maar een paar grote brouwers over. Heineken is de op twee na grootste brouwerij ter wereld. Een wereldmerk – maar het is toch ook vooral Amsterdams bier. Nergens anders is de invloed van de brouwerij zo goed zichtbaar.

Tweede Gouden Eeuw

Het Amsterdam van Gerard Heineken was aan het opbloeien, na twee eeuwen stagnatie. Nieuwe vindingen als stoommachines, telefoon en elektriciteit deden hun intrede. Spoorwegen en de aanleg van het Noordzeekanaal – waarin de jonge Gerard Heineken aandeelhouder was – vergrootten de wereld. De stad, lange tijd omsloten door de buitenste centrumring, overschreed die in de tweede helft van de negentiende eeuw – ook wel de tweede Gouden Eeuw genoemd. En terwijl Amsterdam uit zijn voegen barstte, kampte ook Heineken met ruimteproblemen. Brouwerij De Hooiberg zat ingeklemd tussen de Nieuwezijds Voorburgwal en de Achterburgwal, en de zaken gingen goed – de omzet was meer dan verdubbeld in zijn eerste twee jaar. Een nieuwe locatie was nodig. Gerard Heineken koos de plek waar later de wijk De Pijp zou ontstaan.

Groei wordt een constante factor. Steeds weer wordt er in de loop van de jaren bijgebouwd. Een mouterij, ketelhuizen, legkelders, bewaarkelders. En terwijl de brouwerij verandert, verandert Amsterdam mee.

Mariëlle Hageman, die uitgebreid archiefonderzoek deed naar de rol van Heineken in Amsterdam, vond tijdens archiefonderzoek de klacht van een student medicijnen, die in een studentenalmanak uit 1882 zijn ontstemming uit over het gebouw „waaruit aan alle zijden damp en rook opstijgen”. Dat deed iets met de buurt. „Bespeuren uw reukorganen nog niet welk product in die dampende dreunende kolos wordt vervaardigd?” Wacht maar, zegt hij, tot de wind draait en je „de walgelijke moutreuk” opmerkt.

Een „onogenlijke massa hooge sombere muren”, zo schreef het Bouwkundig Weekblad in 1926 over de onstuimig gegroeide brouwerij. Gerards zoon Henri Pierre was inmiddels directeur geworden en van hem moest het anders. Hij zette architect Bert Ouëndag aan het werk; de silo die hij ontwierp werd in datzelfde jaar geopend. Ook het gezichtsbepalende gebouw van Heineken aan de Stadhouderskade is zijn ontwerp.

Elk gezin een huisje

De Heinekens drukten meer stempels op de stad. Gerard, Henri Pierre en diens zoon Alfred waren allemaal echte Amsterdammers, begaan met de stad, haar bewoners, kunst en wetenschap.

Het Vondelpark bijvoorbeeld heeft Amsterdam mede aan Gerard Heineken te danken. „Alle andere moderne Europese steden hadden een stadspark”, zegt Erik Schmitz. „Dus Amsterdam kon niet achterblijven.”

Heineken zet zich in voor arme Amsterdammers in een tijd dat de politiek dat nog niet als haar verantwoordelijkheid ziet. In 1869, tijdens een tentoonstelling in het Paleis van Volksvlijt, stelt hij trots een replica op ware grootte tentoon van een arbeidershuisje. Zelfs koning Willem III komt kijken. Die huisjes heeft Heineken voor zijn personeel laten bouwen in De Pijp. „Elk gezin kreeg een huisje”, zegt Erik Schmitz. Een huisje – dat is een unicum in de tijd dat de meeste arme gezinnen met z’n allen op een kamer wonen.

Die eerste arbeidershuisjes zijn inmiddels verdwenen. In de Lutmastraat, nu wat overschaduwd door hogere gebouwen ernaast, staan nog een paar huisjes die Heineken later voor arbeiders liet neerzetten.

Als de sociale zekerheid meer een zaak van de overheid wordt, laten de Heinekens zich vooral gelden op andere vlakken. Gerards zoon Henri Pierre, geen onverdienstelijk pianist, zat in de raad van bestuur van het Concertgebouw en ondersteunde dat ook financieel. En Alfred was onder meer bestuurslid van de Amsterdamse Stichting voor de Historische Wetenschappen, somt Mariëlle Hageman op.

Het bedrijf Heineken laat opnieuw zijn sociale gezicht zien in wat waarschijnlijk Amsterdams moeilijkste periode van de vorige eeuw is geweest, de Hongerwinter. Tijdens die winter van ’44-’45 kregen de arbeiders moutmeel mee naar huis, om er pap van te maken. Alfred (‘Freddy’) Heineken is sinds 1941 in dienst, zijn vader is een jaar eerder opgestapt als president-generaal.

Allerlaatste biertje

De Eerste Wereldoorlog, de Tweede, en de crisis daartussenin: het waren geen makkelijke tijden voor de bierbrouwer, al bereikt Heinekenbier in die periode steeds meer buitenlandse markten zoals Nederlands-Indië en, iets later, Nigeria.

Om het voortbestaan van het bedrijf te waarborgen in een brouwerswereld die bol staat van schaalvergroting, wordt in 1968 een grote stap gezet. De Amsterdamse concurrent Amstel wordt overgenomen. Hiermee stijgt de productie van Heineken van 7 miljoen naar ruim 9 miljoen hectoliter.

Hoewel dit bier niet allemaal in Amsterdam wordt gebrouwen – zo had Heineken al sinds 1873 ook een brouwerij in Rotterdam –, toch wordt het opnieuw dringen. De geschiedenis herhaalt zich: omdat uitbreidingsmogelijkheden in De Pijp ontbreken, valt in 1985 het besluit de stad te verlaten. Het allerlaatste biertje wordt er in 1988 gebotteld. De oorspronkelijke bebouwing krijgt deels een nieuwe bestemming, en een ander deel wordt gesloopt. Daarmee ontstond begin jaren negentig ruimte voor het Marie Heinekenplein, genoemd naar schilderes Marie, een nicht van Gerard.

Hoewel de grote Heinekenbrouwerijen inmiddels in Zoeterwoude en Den Bosch staan, is Heineken zeker niet uit de stad verdwenen. Elke maand bezoeken tienduizenden toeristen de Heineken Experience in de voormalige brouwerij aan de Stadhouderskade. Villa Heineken, het enorme huis dat Gerard liet bouwen aan het Tweede Weteringplantsoen, is nog altijd de hoofdtoegang tot de Heineken-kantoren waartussen het nu ingeklemd ligt. En iedere Amsterdammer moet wel eens wachten op de twee enorme shires, Engelse paarden, die nog altijd een kar met houten fusten door de stad trekken – al is dat nu alleen nog voor de show.

    • Geertje Tuenter