Heer, hier zal nooit meer iets groeien

Anders dan in het streekverhalenvrezende Nederland is de Zuid-Afrikaanse ‘plaasroman’ altijd sterk ontwikkeld geweest. Anna Louws Kroniek van Perdepoort toont hoe vervreemding en vereenzaming het genre op een hoger plan tilt.

Een boer en zijn zoon lopen samen naar de rivier. Het is avond, de zoon heeft een glas te veel op, de vader – een man van aanzien, ook al is hij klein en heeft hij verhoogde hakken onder zijn laarzen – heeft een geweer over zijn schouder. Het geweer is al vaker gebruikt om te jagen en om beesten met een ‘erfelijke terugslag’ af te maken. Vandaag is het de beurt aan de zoon, die inmiddels ook bewezen heeft een tegenvallend resultaat van zijn ouders te zijn.

Eenmaal aangekomen bij de rivier zegt de zoon: ‘Pa, ik laat me niet afschieten alsof ik een paard ben’. De vader verklaart: ‘De duivels in de hel moeten hebben gejuicht toen ze de beste van mijn zoons gekregen hadden. Geef me vanavond iets waardoor ik je weer kan respecteren’. Hij legt aan precies op het moment dat kikkers de stilte verstoren. De zoon glijdt uit en het schot mist zijn doel.

Bovenstaande scène komt uit de Zuid-Afrikaanse roman Kroniek van Perdepoort van Anna Louw (1913-2003). Het is een boek over de herbegrafenis van een boer en zijn echtgenote. Reden voor die teraardebestelling is dat de twee oudste zoons de grond waar hun ouders in rusten, nu willen gebruiken als landbouwgrond. Dus worden de lichamen van de ouders na jaren opgegraven om verplaatst te worden naar een heuvel. Een symbolisch beladen gebeurtenis, waar Louw dankbaar gebruik van maakt: de ceremonie en de voorbereidingen gaan gepaard met het rijkelijk opduiken van schimmen, al dan niet uit het verleden, met nachtmerries, pijnlijke confrontaties en een zelfmoord.

De boer die zich ooit in het gebied gesettled had, boerde goed en werd ondanks zijn stuurse voorkomen zeer gewaardeerd. Zijn vijf zonen daarentegen blijken allen misbaksels, lijdend aan een of meer van de zeven hoofdzonden. Vooral die van de hoogmoed komt alle broers duur te staan. De een is dermate jaloers en vol hebzucht dat hij zijn andere broers regelmatig een poot uitdraait, de jongste (die priester moet worden) is een wandelende seks-smekeling, de teleurstellende uit de eerste alinea is vol vraat- en drankzucht, de slimste van de vijf probeert elke vorm van emotie uit te bannen en oogst neerbuigendheid en woede. Blijft over de oudste, die zich de kaas van het brood heeft laten eten en in vliegende schotels gelooft – hij leest, luiert en is zelfs te lamlendig om zijn zelfmoordpoging te laten slagen.

Soap

Tot zover is Kroniek van Perdeport een schitterende roman, die anders dan de samenvatting misschien suggereert, niets weg heeft van een soap. Niet voor niets won Anna Louw er in 1975, toen het boek verscheen, verschillende Zuid-Afrikaanse prijzen mee. Twintig jaar daarvoor was ze begonnen met verhalen met titels als ‘Die Huisvrou’, ‘Huis van wraak’ en ‘Duister bestemming’ – korte verhalen die in onder meer de Afrikaanstalige tijdschriften Die Huisgenoot en Naweekpos verschenen. Vóór Kroniek van Perdepoort had ze ook al wel enkele romans geschreven, maar dit boek werd haar grote doorbraak.

De roman was niet de enige reden waarom Anna Louw enige bekendheid genoot. In de jaren zeventig zat ze in de censuurraad. Zo boog ze zich in 1977 over J.M. Coetzees roman In het hart van het land. In Engeland was dat boek al verschenen, maar omdat er enkele dubieuze sekspassages in stonden, zat er voor het Zuid-Afrikaanse publiek een embargo op. Dat werd, mede door haar toedoen, opgeheven.

Ze vond de sekspassages weliswaar ook zelf een tikje aan de grens – het hoeft dan ook niet te verbazen dat de seksscènes in Kroniek van Perdepoort niet tot de spannendste delen van het boek behoren – maar ze was enthousiast over de manier waarop Coetzee ‘het wijde, heldere, stenige land’ had vormgegeven, ‘waar de protestantse kijk op het leven zo vaak in een spirituele hoek had gevochten’.

Het klinkt als een portret van haar eigen roman, en het zal dus vast ook herkenning zijn geweest waardoor Louw prompt in datzelfde jaar Coetzees roman tot haar favoriete boek uitroept. De worsteling met het geloof en wat de blik op God met je doet, waarover Louw rept, spelen een grote rol in enkele van de mooiste scènes van haar eigen Kroniek van Perdepoort.

Zie het gesprek tussen twee van de broers – een gesjeesde student die in totale misantropie is vervallen, strevend naar een nihilistisch wereldbeeld en een gelovige. Nadat de cynicus een mislukte zelfmoordpoging heeft gedaan, rest hem slechts zelfverachting, en natuurlijk agressief medelijden met de medemens. Daarmee komt hij in conflict met zijn broer die voor dominee studeert (en daar ook niet erg in lijkt te slagen). Die broer zoekt nog wél naar het goede dat zich toch ergens in de wereld moet bevinden, alleen niet bij hem zelf. De conclusie is dat de ene broer een nog groter gedrocht is dan de ander.

De totale leegheid, of het nu om het landschap gaat of om de emoties, die zich niet alleen in de beschrijvingen, maar ook in de dialogen openbaart, is wat deze roman zo fascinerend maakt.

Zo is er een scène waarin de gierige zoon Attie de keuken binnenkomt en tot zijn spijt ziet dat zijn vrouw al wakker is. Hij wil zich snel omdraaien en uit de voeten maken, maar het is al te laat. Terwijl zijn vrouw net haar medicijnen tegen de pijn vanwege een gezwel in haar buik slikt, ontspint zich de volgende dialoog:

„Ik wil met je praten Attie.”

Daar zou je het hebben! Weer röntgenfoto’s laten maken? Kanker kon het niet zijn, daarvoor was het al te lang aan de gang, had die snotneus van een dorpsdokter gezegd. Attie had net tijd om na te denken.

„Later,” zei hij bijna paniekerig. Want hoe kon hij in pijn geloven, hij die nog nooit zelf pijn had verduurd? Hij was zo gezond als een vis!

„Nu,” drong ze aan. Ze was de laatste tijd koppig.

Hij zou echter niet toestaan dat een vrouw over hem regeerde.

„Jullie vrouwvolk komt altijd op de onmogelijke tijden met jullie redenaties.” Die generalisatie schiep afstand. [...]

„Ik wil met je praten, Attie,” zei Miemie weer.

Hij dácht er niet aan. Hij was al weg.’

Een dergelijke scène vind je niet terug in boerenromans waarin opgroeiende jongetjes niet voor bruine bonen willen bidden (Bartje) of waarin iemand vooral tegen het water vecht (Het wassende water). Dit is een roman over mensen die zijn neergesabeld door het leven.

Blozende boerendochters

In Nederland worden streekromans tegenwoordig per kilo geschreven en veel gelezen, maar nooit door anderen dan de heldere maar beperkte doelgroep. De relatieve hoogtijdagen zaten hier in de eerste helft van de vorige eeuw toen A. den Doolaard, Herman de Man en Anton Coolen hun werk publiceerden.

Hoewel de streekroman niet vrij was van een zekere nationale trots, blijft die achter bij wat er tezelfdertijd in die periode in Duitsland verscheen – nog tijdens het naziregime had je de Bauernroman, vol idyllische blonde, gespierde boerenzonen en blozende dochters. Maar op enkele uitzonderingen na: een volwassen literair genre is het in onze contreien nooit geworden. Het is opvallend dat de achtergrond van crisis en politieke instabiliteit wel de beste romans heeft opgeleverd.

Nog beter zie je dat in de Verenigde Staten. Steinbecks Grapes of Wrath is een verhaal over arme boeren tijdens de dustbowl. Nog opvallender zijn de boeken uit het Zuiden van de VS. Sinds de burgeroorlog lijdt die streek aan een minderwaardigheidscomplex, dat een enorme hoeveelheid prachtige boeken heeft opgeleverd: van de katoenromans waarin de verhouding tussen blank en zwart op scherp wordt gesteld, tot en met het landelijk modernisme van Nobelprijswinnaar William Faulkner.

Een ingewikkelde plek in crisis of identiteitsconflict is dus kennelijk een mooie voedingsbodem voor een geslaagde streek- of boerenroman. En aan crisis en conflict geen gebrek in de geschiedenis van Zuid-Afrika, waar de plaasroman (‘plaas’ is ‘boerderij’) een prominent literair genre op zichzelf is – dat als genre zijn prestige ook ontleent aan een essay van J.M. Coetzee. Kenmerkend noemt hij: nadrukkelijke familiebanden, wederzijdse financiële afhankelijkheid, een duidelijke band tussen grond en familie, de patriarchale opbouw van de maatschappij en culturele homogenie.

Vervreemding

In Zuid-Afrika is het al sinds het einde van de negentiende eeuw een volwassen genre. De bodem werd in 1883 gelegd, met Olive Schreiners Een plaats in Afrika. Haar roman is een klassieker gebleven. Dat is niet alleen omdat het boek zich afspeelt in de Karoo – een Zuid-Afrikaanse mythische plek op zichzelf: een gortdroog gebied waar alleen conservatieve blanke boeren met zwarte medewerkers kunnen leven op de rode aarde – maar ook omdat Schreiner niet op zoek gaat naar een geruststelling. De onmogelijkheid van dat gebied, dat door de leegte en droogte bijna geen verbeelding toelaat, daarin zit de kracht.

En dat geldt voor bijna alle belangrijke Zuid-Afrikaanse ‘plaasromans’: ze doorbreken de wetten van het genre, domweg omdat de relatie tussen plaats en culturele homogeniteit verstoord is. De blanke boeren wonen op een plek die in feite van anderen is. Dat verschil is essentieel. Die vervreemding en vereenzaming hebben de Zuid-Afrikaanse ‘plaasroman’ behoed voor een lot als dat van de streekroman in Nederland. De vervreemding is literair sterk uitgewerkt en eigenlijk belangrijker dan de politieke connotatie die er elke keer achterligt. Want ook bij Marlene van Niekerk, die met Agaat in 2004 in elk geval de beste streekroman uit de 21ste eeuw schreef, draait het om de verlatenheid.

Een oude boerin kan hierin alleen nog met haar ogen communiceren met haar zwarte bediende. Niet alleen zijn de machtsverhoudingen nu volledig omgedraaid, maar is het ook een proces van alleen gelaten worden dat pijnlijk is om te lezen. Opvallend genoeg werd Van Niekerk na verschijning van deze roman verweten dat ze de Afrikaner identiteit wilde opheffen, maar in feite is het tegendeel waar: ze toonde dat de ‘plaasroman’ in Zuid-Afrika nog steeds naar deze tijd te tillen is.

Zo goed als Agaat is Kroniek van Perdepoort niet. Want anders dan Van Niekerk, slaagt Louw er niet helemaal in om te overtuigen wanneer ze probeert verschillende culturen met elkaar te confronteren. Ze probeert het wél – er is nog een zijspoor in het boek: terwijl de zoons hun ouders naar hun nieuwe rustplaats brengen, wordt ook iemand anders begraven. Fielie, een kleurling die even verderop woonde. Hij is enkele dagen eerder onder de boom van een van de zonen terecht gekomen. Maar erg veel woorden worden er niet aan besteed.

Louws blanke personages kunnen niet met de kleurlingen uit de voeten – en Louw zelf eigenlijk ook niet. Ze plaatst weliswaar enkele politieke opmerkingen over landbezit, en beschrijft de minachting van de vijf zoons voor de kleurlingen die hun bedienen, maar echt tot ontwikkeling komen de kleurlingpersonages niet. Afwisselend worden ze kleurling, bruintje of Bosjesbaas genoemd. Hun optreden versterkt – al dan niet bewust – het verhaal van een blanke boerenfamilie.

Maar dat doet uiteindelijk niets af aan het belang van dit boek. In een ontwikkeling van Olive Schreiners Een plaats in Afrika en Van Niekerks Agaat past Kroniek van Perdepoort heel goed. Ook hier jaagt een desolaat gebied de personages eenzaamheid aan. Voor emoties is geen plaats, en wie ze wel heeft gaat eraan. De streekroman in Zuid-Afrika is zo hard als de Karoo.