De rest is geschiedenis

Ik heb de Olympische Winterspelen aan mijn neus voorbij laten gaan, nog vóór dat als een statement gold. ‘Ook Joodsche journalisten werden op de meest voorkomende wijze geholpen’ In januari 2008 werd ik naar Innsbruck uitgenodigd voor een proefrit in de bobslee. Het Nederlands Team zocht zware renners en daar kwalificeerde ik – op het

Ik heb de Olympische Winterspelen aan mijn neus voorbij laten gaan, nog vóór dat als een statement gold.

‘Ook Joodsche journalisten werden op de meest voorkomende wijze geholpen’

In januari 2008 werd ik naar

Innsbruck uitgenodigd voor een proefrit in de bobslee. Het Nederlands Team zocht zware renners en daar kwalificeerde ik – op het rugbyveld bekend als ‘Bokita’ – voor.

De andere rekruut was een ex-militair die iets had meegemaakt waardoor hij niet verder kon in Afghanistan. Wel zette hij, zonder aarzelen, van de veilige rubbermat af, om met 120 kilometer per uur over de bobsleebaan te glijden. Als je alles al hebt meegemaakt, maakt de zoveelste weg naar beneden blijkbaar verdomd weinig indruk.

Wanneer hij voor in de tweemansbob zat en stuurde, was ik onze remmer. Na de laatste bocht moest ik aan de handrem tussen mijn benen trekken, zodat de schraper aan de onderkant in het ijs stak. Na één dag liep ik krom van de spierpijn en zei de militair nadrukkelijk dat ik niet zo mijn best moest doen.

Iedere ochtend, voor de training, liep het Nederlands Team langs de baan omhoog. Bij elke bocht werd stilgestaan, gekeken, berekend hoe je ‘m kon nemen zonder snelheid te verliezen. De bobbers staken hun vuisten vooruit in de lucht en verbeeldden dat ze de stuurtouwtjes vast hadden. Zo reisden ze met gesloten ogen door de bocht, hun handen slechts een paar centimeters verschuivend, genoeg voor de gevoelige ijzers van de slee.

Vroeg ik het team naar hun succeskans op de Spelen, dan werd er geklaagd over de Duitsers, die financieel geen beperkingen kenden en in de allerbeste sleeën het snelste gleden.

Voor mij was de kick van 120 kilometer per uur er na een week wel af. Elke training langs de baan, visualiseren en vervolgens veertien bochten naar beneden: een Sisyphusroutine in de hoop op een paar seconden winst. Voor de militair was die verveling juist een pré. Hij bleef stug starten, vaak vlak voor het licht op groen sprong. Misschien hoopte hij zijn remmer achter te laten.

Vrij Nederland publiceerde vorige week een essay over de Winterspelen in 1936, toen Hitler het sportevenement gebruikte om het imago van Duitsland te verstevigen. ‘Mij is bekend, dat ook Joodsche journalisten op de meest voorkomende wijze werden geholpen’, verklaarde een enthousiaste sportredacteur. Het moge duidelijk zijn dat homoseksuele sporters in Sotsji op de meest voorkomende wijze zullen worden behandeld. Hun aanwezigheid zal als bewijs worden opgevoerd: hier worden geen mensenrechten geschonden (een argument dat sowieso overeind blijft wanneer je gelooft dat homo’s niet menswaardig zijn). Het artikel eindigt onheilspellend: ‘De rest is geschiedenis.’

Wat er met de ex-militair gebeurd is, weet ik niet, maar op de Spelen is hij niet. Misschien miste hij de noodzakelijke droom dat alles dit keer anders zou verlopen.