De hele wereld doet mee – en 7 andere misverstanden

Misverstand 1: er is één wedstrijd waar iedereen naartoe leeft.

Bij de Zomerspelen is het duidelijk: de 100 meter sprint is het moment suprême. Wie die wint is onsterfelijk, zie Usain Bolt. Maar wat is de 100 meter sprint van de Winterspelen? Die is er niet echt. Moeten mensen er toch een aanwijzen, dan komt het kunstrijden bij de vrouwen vaak naar voren. Het is de oudste olympische winterdiscipline en een van de best bekeken nummers. Ook groot is de afdaling bij de mannen. Niet klassiek zoals het kunstschaatsen, maar juist roekeloos. De opdracht is simpel: met ski’s van de heuvel af en niet vallen, de snelste wint. De Noor Aksel Lund Svindal heeft de beste papieren volgens de bookmakers. Bij het kunstrijden is de Zuid-Koreaanse Yuna Kim de topfavoriet. Ze is de titelverdedigster, op haar 23e.

Misverstand 2: de hele wereld doet mee.

De Winterspelen zijn vooral een feestje van het noordelijk halfrond. Met 88 deelnemende landen doet meer dan de helft van de wereld niet mee. 250 miljoen Indonesiërs, nul deelnemers. 175 miljoen Nigerianen, nul deelnemers. India doet wel mee. Van de 1,2 miljard Indiërs, komen er drie. Toch is 88 landen een recordaantal. En er zijn 7 debutanten: Zimbabwe (doet mee met alpineskiën), Togo (alpineskiën en langlaufen), Dominica (langlaufen), Malta (alpineskiën), Oost-Timor (alpineskiën), Tonga (bobsleeën) en Paraguay (freestyle skiën).

Ter vergelijking: aan de Zomerspelen in Londen deden 204 landen mee. De enige landen zonder ticket waren Kosovo, Vaticaanstad en Zuid-Soedan. De Zomerspelen zijn anders, die zijn van iedereen.

Misverstand 3: de Amerikanen domineren de Winterspelen, net als die in de zomer.

Dat klopt dus niet. Winterspelenkampioen is Noorwegen, met stip. Geen land dat zoveel medailles (303) en zo vaak goud (107) won. Tenzij je het aan een Rus vraagt. Die telt de prestaties van de Sovjets bij die van de Russen op. In dat geval zijn de Russen nummer één qua goud, met een voorsprong van zeven medailles op de Noren. Maar als je het IJzeren Gordijn wegdenkt, en Oost- en West-Duitsland als één telt, dan zijn de Duitsers weer Weltmeister.

De Amerikanen horen wel tot de vedettes van de Winterspelen. Net als de Oostenrijkers en de Canadezen, die in het eigen Vancouver de laatste medaillespiegel wonnen. Nederland staat met 29 keer goud uit 19 Spelen op de dertiende plek – bijna allemaal schaatsmedailles.

Misverstand 4: Rusland doet het altijd goed op de Winterspelen.

Sportief gezien kunnen de Spelen voor de Russen bijna niet mislukken, want slechter presteren dan vier jaar geleden kan haast niet. Rusland viel met slechts drie keer goud buiten de top tien – het zwakste optreden ooit (en dan tellen we de Sovjetjaren mee). Vladimir Poetin werd maanden na de slotceremonie nog steeds achtervolgd door de blamage. „Mensen vroegen me zelfs niet meer naar hun salaris, of naar de economie”, zei hij na een tijd. „Waar ik ook kwam, de eerste vraag ging over Vancouver.”

Dat nooit meer. En zeker niet op de Grote Poetin Spelen. Dus ligt er nogal wat druk op de schouders van de Russische equipe, en dan met name op die van de ijshockeyers en de kunstschaatsers. Volksheld op kunstschaatsen Evgeni Ploesjensko weet wat hem te doen staat.

Misverstand 5: win je olympisch goud, dan ben je binnen.

Hoeveel een medaillewinnaar aan prijzengeld krijgt, bepaalt ieder land zelfstandig. Nederlanders krijgen van NOC*NSF 30.000 euro voor goud, 22.500 euro voor zilver en 15.000 euro voor brons. Die bedragen liggen iets lager voor de Amerikanen. De Russische overheid, daarentegen, pakt flink uit. Een Rus die goud wint, ontvangt 85.000 euro. Zie het als een zetje in de rug van het Kremlin.

Maar zelfs de Russische prijzenpot is magertjes vergeleken met andere sporten: tennisser Stanislas Wawrinka kreeg twee weken geleden bijna twee miljoen euro mee van de Australian Open die hij won.

Voor wie op 15 februari goud wint, hebben de Russen trouwens iets speciaals: een medaille ingelegd met stukjes meteoriet. De stukjes komen van de ruimtesteen die op die dag precies een jaar geleden insloeg bij de stad Tsjeljabinsk. Dat is ook wat waard.

Misverstand 6: de Winterspelen zijn een olympisch idee.

De Zomerspelen komen uit Griekenland, de Winterspelen uit Scandinavië. Tenminste, daar werden de eerste wintersportwedstrijden gehouden, de Nordic Games. Een toernooi alleen voor Scandinaviërs, iedere vier jaar vanaf 1901. De Zomerspelen bestonden toen net vijf jaar. De eerste winterdiscipline die op de Olympische Spelen debuteerde, was kunstrijden in 1908. Dat wil zeggen: de Zomerspelen van Londen waren al drie maanden voorbij toen de kunstschaatswedstrijd plaatsvond en de Zweed Ulrich Salchow zich naar goud danste.

De Nordic Games bracht het IOC op ideeën. Het comité wilde Winterspelen en vroeg Zweden om de eerste te houden in 1912. De Zweden sloegen dat af omdat zo’n toernooi de Nordic Games zouden bedreigen. Dan maar in Duitsland was het plan. Maar in 1916 was het oorlog en uiteindelijk kreeg het Franse Chamonix de primeur in 1924.

Misverstand 7: met een geweer kom je de Spelen niet op.

Toeschouwers mogen geen geweren meenemen, 220 sporters wel: de biatleten. Vijf rondes langlaufen en tussendoor op een schijf schieten. Dat schieten moet twee keer staand en twee keer liggend. Iedere misser betekent een minuut straftijd. Degene met de snelste tijd, inclusief straftijd dus, wint de biatlon. Je moet er maar op komen. Het was het Noorse leger dat zo zijn soldaten trainde en ook de eerste wedstrijden organiseerde. Bij de eerste Winterspelen van 1924 was biatlon er al, als demonstratiesport. Sinds Zweden vroeg om biatlon op de olympische kalender voor 1960 te zetten, is de sport een vast onderdeel van de Winterspelen.

Misverstand 8: morgen kijkt de hele wereld naar Sven.

Schaatsen is voor Nederland heel belangrijk. 6,7 miljoen Nederlanders keken naar De Wissel van Kramer in Vancouver. Maar buiten Nederland doet het schaatsen er niet echt toe. Daarover meer in de next.zaterdag van morgen.