De banale plaatsen van het leven baren levenslust

Dertig jaar geleden viel het parkeerplaatsenreisboek van het echtpaar Cortázar plat als een mus van het dak. Inmiddels wil iedereen het lezen – maar hoe zit dat met Cortázars ‘revolutionaire’ roman Rayuela?

In het begin van de zomer van 1982 schuimde een rode Volkswagenbus met uitflapbaar tentdak ruim een maand lang de Franse autoroute van Parijs naar Marseille af. Aan boord waren de Argentijns-Franse schrijver Julio Cortázar en zijn jonge Canadese vrouw Carol Dunlop. Hun doel: een ontdekkingsreis maken langs alle parkeerplaatsen op dat traject, om daar in een boek ‘wetenschappelijk’ verslag van te doen.

Dat boek kwam er, al heeft Carol Dunlop het nooit in druk kunnen zien. In november van dat jaar overleed zij plotseling aan leukemie. Aan het slot ervan kan Cortázar haar nog gedenken, op de valreep van de Franse editie. De Spaanse editie volgde het jaar daarop. Het was ook voor Cortázar het laatste boek dat hij bij leven zou publiceren. Op 12 februari 1984 overleed hij, 69 jaar oud, bijna op de kop af dertig jaar geleden.

Zo hangt er een schaduw van melancholie rond het boek waarvan de titel al de jeugdige speelsheid verraadt die de lezers van begin tot eind in haar ban houdt. De autonauten van de kosmosnelweg is een van de wonderlijkste en fantasievolste boeken van de naoorlogse literatuur – zo origineel dat het dertig jaar op (her)ontdekking heeft moeten wachten. Midden jaren tachtig viel de Nederlandse vertaling als een mus in hoogzomer dood van het dak. Nu gaat ze, in een fraaie heruitgave waarin zelfs de meeste foto’s iets van hun fletsheid verloren hebben, grif van de hand.

Is het die pracht die dit boek plotseling zo gewild maakt, omdat ‘met liefde gemaakte boeken onverminderd populair zijn’, zoals een uitgever vorig weekend in een interview nog zei? Is het de aandacht op de televisie, of gewoon toeval? Ongetwijfeld van alles een beetje – maar als de lezer een boek niet wil, blijft het trekken aan een dood paard. Dunlop en Cortázar moeten een snaar hebben geraakt die pas nu aan het trillen is geslagen.

Misschien heeft het onbestemde karakter van het boek daar iets mee te maken. Want onder welke categorie moet je De autonauten van de kosmosnelweg rubriceren? Een roman is het zeker niet, een dagboek ook niet echt en een reisverslag maar in een heel beperkte zin.

Bloedstollend

De schrijvers hebben hun voornemen een ontdekkingsreis te maken heel ernstig opgevat. Ze modelleerden het boek op al die reisverslagen die sinds Marco Polo hebben bericht over vreemde landen, wonderbaarlijke volkeren, fantastische fauna’s en bloedstollende avonturen.

Dat kan gemakkelijk iets kinderachtigs krijgen, maar Cortázar en Dunlop schuwen elke poging tot gemakzuchtige humor of ridiculisering. Daardoor gebeurt er, op hun tocht langs de meest banale plaatsen van het moderne reizigersverkeer, iets bijzonders. De verbeeldingskracht dringt het gewone leven binnen en laat het als iets sprookjesachtigs verschijnen. Prullebakken langs picknickplaatsen worden spionnen van een gevaarlijke macht die de expeditie bedreigt. Mieren blijken een geduchte diersoort met de vreemdste gewoonten. Een speeltuin bij een wegrestaurant wordt een sinistere heksenfolterplaats, de snelwegberm een oerwoud waarin de ‘verkenners’ bloot staan aan onvermoede verleidingen en gevaren.

Zo wordt het leven literatuur en omgekeerd – en dat heeft misschien enige tijd nodig om zijn beslag te krijgen. In ieder geval ontspringt daaraan bij Cortázar en Dunlop een levenslust die een uitweg zoekt in een al maar ongebreidelder fantasie.

Wie zich voorstelt hoe hun tocht werkelijk verlopen moet zijn (twee parkeerplaatsen per dag, met steeds hoogstens een kwartier rijden daartussen) slaat al bij voorbaat de schrik om het hart. Zoveel lelijks, zoveel asfalt, zoveel ‘gruwelijkheden’, om het in de woorden van de ontdekkingsreizigers te zeggen. En juist dat alles transformeert zich tot zo’n aanstekelijke sprookjeswereld – alsof het gezicht van de werkelijkheid verandert door er alleen maar over te vertellen.

Door vertellen anders gaan kijken naar de wereld: als dat niet het wezen is van de literatuur als geheel, dan is het dat in ieder geval van het werk van Cortázar, die dit jaar niet alleen dertig jaar geleden stierf maar ook honderd jaar geleden (26 augustus 1914) geboren werd. Zijn bekendste verhaal, Het kwijlen van de duivel, verfilmd door Michelangelo Antonioni onder de titel Blow-up, laat dat prachtig zien. Een fotograaf kijkt naar de wereld door zijn zoeker, maar wat zíet hij eigenlijk? De beelden krijgen pas betekenis wanneer hij ze samenvoegt tot een verhaal. Maar ziet hij daarmee ook de werkelijkheid, of voegt die zich alleen maar naar wat verteld wordt? Wat er écht gebeurd is, blijft zowel bij Cortázar als Antonioni ongewis.

Voorloper

Hoe vertel je een verhaal? De schrijvers van Cortázars generatie experimenteerden erop los om die vraag te beantwoorden. Zelf ging hij daarin misschien het verst in zijn roman Rayuela, die nu samen met De autonauten van de kosmosnelweg opnieuw is uitgegeven. Als boek dat je kriskras kunt lezen maakte het bij verschijning in 1963 diepe indruk en werd het één van de emblematische titels van de Latijns-Amerikaanse literaire boom. Nog altijd geldt het als een voorloper van het ‘dwalende’ lezen dat pas met de opkomst van internet de middelen kreeg om zich te ontplooien.

Wie beter kijkt, ziet dat dat nogal geflatteerd is. Cortázar geeft zijn lezer in Rayuela aanzienlijk minder vrijheid dan hij suggereert. De indruk van een dwaalweg ontstaat vooral door de chaotische manier waarop in het laatste deel van het boek de hoofdstukken geordend zijn, maar intussen neemt de schrijver de lezer met behulp van wegwijzers zorgzaam bij het handje.

Achter de revolutionaire schijn blijkt Rayuela minder een experimentele dan een existentiële roman waarin literaire en culturele kwinkslagen borg staan voor enig snob-appeal. Voor literatuurwetenschappers is het nog altijd een roman om de vingers bij af te likken, maar als leeservaring heeft hij de tand des tijds moeizaam doorstaan. Rayuela is vooral een statement gebleven over de vorm van het vertellen.

Wellicht durfde Cortázar pas tegen het einde van zijn leven zijn mateloze fantasie wérkelijk van de leiband te laten en samen met Carol Dunlop de literatuurhistorische ernst in te ruilen voor het onversneden literaire plezier. Dan kunnen de oranje-witte kegels die langs onze snelwegen onbegaanbare stroken afsluiten plots veranderen in heksenhoeden en wijzen op een sinistere inquisitie. ‘Moeten we dus aannemen dat de Malleus maleficarum deel uitmaakt van de praktische bibliografie van de snelweg, samen met de Michelin-gids?’ – vragen de expeditieleden zich op dat moment verbijsterd af.