Opinie

Dagboek (2)

Wanhopig was Meijer Frenkel toen hij merkte dat zijn vriendin met haar kind zijn onderduikadres in Rotterdam had verlaten. Ik citeerde gisteren uit het dagboek dat hij in die dagen van de Tweede Wereldoorlog bijhield. Dit dagboek werd onlangs ontdekt door de Nederlands-Egyptische verzamelaar Ebrahim el Hadidy, die het opnam in zijn boekje Brief aan dr. Frenkel.

Hoe verging het Meijer Frenkel verder? Enkele fragmenten.

20 november, dag 16

„Ik sprak gisteren van twijfel, vrouwtje, en voor je me verkeerd begrijpt wil ik ’t nog eens neerschrijven. Ik twijfel niet, geen moment, aan hoe gelukkig we na de oorlog met elkaar zullen zijn. Ik twijfel er ook niet aan of we ons opnieuw zulllen kunnen aanschaffen wat ons ontnomen werd. Mijn twijfel is alleen deze, of je voldoende innerlijke weerstand zult hebben tegen hen die je bedreigen. Jij, die niet kunt liegen, die eerlijk en open door het leven ging, jij voert daardoor een zoveel moeilijker strijd tegen de lui die je nu op ieder woord trachten te vangen. Die achter elk woord een ander zoeken. O, kind, kon ik je maar met raad en daad terzijde staan. En toch, bij alle twijfel, is diep in mij het geloof op een betere toekomst aanwezig. Ik kan niet aannemen dat al je offers tevergeefs zullen zijn geweest. Wist ik maar iets van je af, hoeveel makkelijker zou alles zijn.”

21 november, dag 17

„(…) Het was ongetwijfeld heel verstandig, maar ik betreur het toch dat ik je ring heb afgedaan! Ik kan je niet zeggen lieveling hoe ik die mis. Als vanzelf gaan steeds mijn vingers naar de plaats waar ik je ring droeg, telkens als ik aan je denk. Ik spreek hier nooit over je. Om meer dan één reden niet. Ik wil niet extra beklaagd worden en bovendien behoeven de mensen niet zoveel te weten. Dat heb ik nu wel duur moeten betalen! (…)”

5 december, dag 31

„Schattebout, vandaag schrijf ik niet veel. Beneden is feestvreugde en ik zit te huilen. Zo zal het ook wel met jou gaan en met allen die lijden. Buiten is nog zoveel verdriet en wij maken er voor het eerst kennis mee. Misschien heeft het zo moeten zijn en leert het leven alleen op deze manier. Ik schrijf niet verder schat, maar voor ik ga slapen: welterusten schat, welterusten lieveling, tot morgen meid!”

13 december, dag 39

„Ik zie zo tegen de komende feestdagen op zonder jou, zonder ons thuis. Vaak bekruipt me het verlangen te slapen tot alles voorbij is. Vrouw, je mag het gerust weten, ik ben de oude niet meer. Ik heb geen toekomstplannen, geen wensen of verlangens buiten die ene allesoverheersend: bij je te zijn. Alleen nog met ons drietjes te leven en de stormen buitenshuis te sluiten. Het is toch zo weinig, lieverd, wat wij van het leven verlangen en toch schijnt het nog te veel. Vrouwtje, ik ben zo verdrietig, zo wanhopig verdrietig over ons aller lot.”

Hier eindigt het dagboek – maar niet het leven van Meijer Frenkel. Naspeuringen leerden dat Frenkel de oorlog heeft overleefd. Dat geldt ook voor zijn vriendin, Mien Boers, tot wie hij zich steeds richt. Zij werd opgepakt omdat ze Frenkel als onderduiker in huis had en overgebracht naar kamp Vught. Na de oorlog werd zij met Frenkel herenigd. Zij trouwden en leefden samen nog zeer lang – en hopelijk gelukkiger dan in die laatste oorlogsjaren. Frenkel overleed als 95-jarige, Mien Boers een jaar later, in 2006, als 108-jarige, de oudste inwoner van Brabant.