Berlinale opent met luchtige film

De Berlinale begon gisteravond vrolijk. De zware filmkost komt later de komende tien dagen.

George Clooney komt. En Matt Damon. Bill Murray. Christian Bale. Bradley Cooper. Ralph Fiennes. Edward Norton. Als er één filmfestival bezeten is van sterren op de rode loper, dan is dat de Berlinale, die gisteren van start ging. Ook in de 64ste editie wist directeur Dieter Kosslick een imponerend aantal naar het gure Berlijn te lokken. Er is een gala voor Clooney, die met zijn ensemble op naziroofkunst jaagt in The Monuments Men. Er is een gala voor Oscarfavoriet American Hustle, bij ons al in roulatie. En gisteravond bevatte de openingsfilm The Grand Budapest Hotel van Wes Anderson (The Royal Tenenbaums) zoveel met snorren, rimpels of vampiertanden vermomde sterren dat je ‘zoek de ster’ kan spelen. Die gevangene met tatoeages, is dat niet Harvey Keitel? Warempel. En tien bonuspunten voor wie Tilda Swinton herkent onder haar make-up.

Ooit begon de Berlinale als filmfestival en als politiek project. Een verleidelijke glitterbal in buitenpost West-Berlijn die Hollywoodglamour diep het Oostblok instraalde, en een jaarlijks bewijs dat de NAVO de stad niet zou prijsgeven. Acte de présence geven was een patriottische plicht voor Hollywoodsterren. De Berlijners bewezen op hun beurt opgewonden juichend en handtekeningen jagend dat ze voortaan gewoon met het Westen wilden meedoen.

Dat is lang geleden; de traditie van sterrenkoorts blijft. Wes Anderson en de sloep sterren die hij meenam naar de rode loper van de Berlinale kregen gisteren hartstochtelijk applaus. Zijn The Grand Budapest Hotel, grotendeels opgenomen in een failliet fin de siècle warenhuis in het Oost-Duitse stadje Görlitz, is ook de ideale opening. In deze cartooneske en kinderlijk onschuldige pastiche op Midden-Europa van het interbelllum vertelt de oude baas van het vervallen Grand Budapest Hotel – na decennia communisme is het een in misselijk groen en oranje uitgevoerde Oostblokgriebel met lage plafond en slaperig personeel – een bezoekende schrijver hoe hij dit ooit chique hotel erfde van de verfijnde gastheer Monsieur Gustave. Wes Andersons kijkdozen waren nog nooit zo magnifiek als in deze triomf van ‘set design’. Gistermiddag schonken Anderson en zijn sterren – de acht die kwamen opdraven althans – Berlijn ook nog eens een leuke persconferentie, met quasistekelig kissebissen tussen de regisseur en veteraan Bill Murray. Waarom de laatste toch steeds voor Anderson kwam opdraven, ook in piepkleine rolletjes? „De belofte van lange dagen, een laag salaris en oud brood”, aldus Murray. „De romantiek is weg”, zo typeerde hij hun relatie; toch bleef hij bij hem kamperen op vreemde locaties omdat „je weet dat die jongen een prachtig droomlandschap in zijn hoofd heeft. We mogen hem graag, dus doen we mee.”

De komende tien dagen belooft de Berlinale iets zwaardere kost te serveren dan The Grand Budapest Hotel. Sterren of niet, de hoofdprijs van de competitie – de Gouden Beer – gaat doorgaans naar films uit landen als Turkije, Roemenië of Iran, dan wel – twee jaar terug – een experimentele documentaire in zwart-wit (Caesar Must Die). Ook deze Berlinale heeft ongetwijfeld pareltjes uit zuid en oost in petto. In de op zich al politiek correcte Berlinale is het aandeel homofilms dit jaar extra stevig, deels in reactie op de Olympische Winterspelen in Rusland.

In de competitie maakt de film Boyhood van Richard Linklater zeer nieuwsgierig. In dit drama groeit hoofdrolspeler Mason (Ellar Coltrane) daadwerkelijk op van 7 tot 18 jaar: de film werd met tussenpozen in ruim 4.200 dagen opgenomen. Lars von Trier presenteert de lange, ‘ongecensureerde’ versie van zijn zedenschets Nymphomaniac 1 en verbreekt daarna mogelijk de zwijggelofte die hij zichzelf na een onfortuinlijk optreden in Cannes in 2011 oplegde.

Nederland is, zoals vaak, op de Berlinale vooral sterk in de jeugdsecties. Naast Supernova van Tamar van den Dop valt de coproductie The Last Hijack op, een deels geanimeerde documentaire die piraterij door Somalische ogen bekijkt.