Verder na de niet-fusie

De Rijksakademie en De Ateliers moesten fuseren. Maar de twee kunstopleidingen negeerden het kabinetsbesluit. Voor het eerst leggen ze uit hoe ze verder gaan. „Groter is niet altijd beter.”

Ondernemer Joop van Caldenborgh, voorzitter van het bestuur van kunstenaarsinstituut De Ateliers.
Ondernemer Joop van Caldenborgh, voorzitter van het bestuur van kunstenaarsinstituut De Ateliers. Foto Hollandse Hoogte

Het kan dus bij een culturele instelling: een door de overheid opgelegde fusie afwijzen en vervolgens binnen drie maanden voldoende geld bij elkaar brengen om zelfstandig voort te kunnen bestaan. Nog even met steun van de overheid, maar als het moet zonder.

De Ateliers is het gelukt, met dank aan zakenman en collectioneur Joop van Caldenborgh. De zogeheten postacademische beeldende kunstopleiding moest in 2012 van het toenmalige kabinet fuseren met de Rijksakademie voor Beeldende Kunsten om gezamenlijk nog tot en met 2016 subsidie te krijgen. Daarna zou de overheid stoppen met het financieren van de twee instellingen.

De fusie leek op het eerste gezicht logisch. Beide instellingen zitten in Amsterdam. Beide bieden ze talentvolle kunstenaars uit binnen- en buitenland een atelier aan, waar ze onder begeleiding van ervaren kunstenaars zich verder kunnen ontwikkelen. Zo moeten ze in Amsterdam de stap naar de wereldtop kunnen zetten, zoals diverse oud-studenten hebben gedaan: Marlene Dumas, Joep van Lieshout en Aernout Mik bij De Ateliers en Jan Wolkers, Fiona Tan en Guido van der Werve bij de Rijksakademie.

Half oktober, twee weken voordat het plan bij het ministerie moest worden ingediend, wezen bij De Ateliers betrokken kunstenaars het plan voor een fusie af. De kunstenaars waren bang dat de eigen identiteit verloren zou gaan. Het bestuur liet zich overtuigen. Van Caldenborgh, nog maar kort bestuurslid, werd de nieuwe voorzitter. „Groter is niet altijd beter”, zegt hij. „De Ateliers heeft zijn reputatie juist te danken aan zijn kleinschaligheid.”

De zakenman

Op het landgoed in Wassenaar, waar zijn Caldic Collectie kantoor houdt, zijn bulldozers begonnen met de bouw van het museum van Joop van Caldenborgh dat in 2016 open zal gaan. De gepensioneerde Rotterdamse zakenman, rijk geworden met de distributie van chemicaliën, werkt met een staf van tien man aan dit museum voor zijn grote collectie hedendaagse kunst.

De afgelopen drie maanden was hij vooral op pad voor De Ateliers. Na het afbreken van de fusie stelde de nieuwe voorzitter zich maar één taak: geld ophalen. Omdat De Ateliers de gevraagde fusie had afgebroken, was de rijkssubsidie mogelijk in het geding. Als eerste daad verhoogde Van Caldenborgh zijn eigen jaarlijkse bijdrage fors. „Meer dan een verdubbeling”, zegt hij. „Uiteraard, dan kon ik die anderen voorhouden: dit heb ik gedaan, wat doen jullie?”

Vervolgens ging de voorzitter de dertig sponsors af. „Iedereen heb ik gevraagd zijn bijdrage te verdubbelen. Sommigen committeerden zich zelfs spontaan voor meer”, zegt hij. „Ze bleken enorm toegewijd aan De Ateliers. Daar spreekt wat uit. Niet één, maar allemaal. Niemand heeft gezegd dat hij minder wil besteden.”

En zo heeft hij de eigen inkomsten van het instituut kunnen verdubbelen. Onder de sponsors zijn acht bedrijven en fondsen (waaronder ING, Rabo, AkzoNobel en SNS Reaal Fonds) en 22 particulieren.

Met al die sponsorcommitments durfde hij naar de subsidieverschaffers te gaan. Hij bezocht het Mondriaan Fonds, om zeker te stellen dat kunstenaars beurzen zouden blijven krijgen. Hij ging langs bij de Raad voor Cultuur. En vlak voor Kerst bij het ministerie. „Ik werd daar veel vriendelijker ontvangen dan ik had verwacht. Wij hadden de fusie afgebroken. Er is serieus naar ons geluisterd.” En met gedeeltelijk succes: dit jaar krijgt De Ateliers gewoon zijn 5 ton subsidie, volgend jaar de helft en in 2016 niet meer, bevestigt het ministerie van OCW.

Van Caldenborgh wil niet de indruk wekken dat hij het als vlotte zakenman even heeft geregeld. „De Ateliers heeft een goed imago, dat over een lange periode is gecreëerd. Anders krijg je dit niet voor elkaar, ik ook niet.” Met het formuleren van een nieuw beleid heeft hij zich nog niet beziggehouden. „Daar hebben we nog helemaal geen tijd voor gehad. Dat ga ik nu samen met het bestuur doen. We zullen ons ook moeten aanpassen aan nieuwe tijden. Maar ik ben niet van plan dat overhaast te doen, daar is ook geen reden voor.”

Van Caldenborgh zal „maar heel kort” voorzitter zijn, zegt hij. Hij wil er zeker van zijn dat De Ateliers vanaf 2017 in principe zonder subsidies kan overleven. „Het kan, al zal het niet makkelijk zijn”, zegt hij. „Maar als Rijksakademie en ook de Jan van Eyck Academie in Maastricht in de volgende subsidieperiode weer financiering van het Rijk krijgen, moet De Ateliers dat ook krijgen. Gelijke monniken, gelijke kappen.”

De directeur

Directeur Els van Odijk loopt eerst naar de bibliotheek van de Rijksakademie. „Ik wil je laten zien dat we met onze hedendaagse kunstenaars niet alleen verankerd zijn in het heden en de toekomst, maar ook in onze lange geschiedenis”, zegt ze. Op tafel liggen onder andere tekeningen en schetsen van Karel Appel, Piet Mondriaan en Jan Sluyters, die zij in hun periode aan de Rijksakademie gemaakt hebben, naast een recente foto van Persijn Broersen en Margit Lukács. Dit is ons DNA, wil Van Odijk zeggen. „Hier kunnen onze kunstenaars hun inspiratie halen en kunnen ze studeren met alle boeken die hier in de loop der jaren zijn verzameld.”

In haar kantoor gaat ze verder: „Op het moment van een breuk besef je meer dan ooit je eigen geschiedenis en je eigen kwaliteiten. Daar kun je op voortbouwen.” Van Odijk begon na de afgeketste fusie niet, zoals Van Caldenborgh, met geld inzamelen. Bij de Rijksakademie lag de prioriteit op het razendsnel indienen van een nieuw beleidsplan om de subsidie zeker te stellen. Vlak voor Kerst adviseerde de Raad voor Cultuur positief, waardoor voortzetting van de subsidie tot 2016 verzekerd is.

En de aankoop van het eigen gebouw moest afgehandeld worden. Dat was hard nodig: de huur van de voormalige kazerne bedroeg 2 miljoen euro. Dat was niet meer op te brengen na het wegvallen van een huisvestingsvergoeding van 2 miljoen én een verlaging van de subsidie van 3,4 naar 1 miljoen euro. In december werden de contracten getekend van een ingewikkelde transactie. De Rijksakademie kocht het gebouw voor 3 miljoen euro van de Rijksvastgoeddienst. Dat bedrag zal de instelling in termijnen betalen.

Het Trustfonds Rijksakademie moet het geld bij elkaar krijgen voor de huisvesting. De lijst van donateurs is lang, van bedrijven als Arcadis en KPN tot internationale fondsen als de Onassis Foundation, Fiorucci Art Trust en de Stichting Niemeijer Fonds en vermogende verzamelaars. Maar de rol van het Trustfonds moet nog groter worden. Van Odijk: „Daarbij kijken we ook naar sponsoren in het buitenland.”

Van Odijk is vooral bezig geweest met het beleidsplan en het vergroten van de zichtbaarheid. „We zullen nog duidelijker moeten maken wat onze rol is. We moeten meer werk van onze kunstenaars en alumni tonen. Dat doen we jaarlijks met onze open ateliers, maar dat is niet voldoende. Ik zou eigenlijk willen dat een museum – misschien wel het Rijksmuseum, dat in dezelfde tijd als de academie is opgericht – een tentoonstelling maakt die toont welke stap in hun ontwikkeling toonaangevende kunstenaars hier hebben gemaakt”, zegt ze. Heeft ze dat al voorgesteld aan een museum? „Nee, nog niet.”

Hoe de financiering van de Rijksakademie moet zijn vanaf 2017, weet ze nog niet. „We hebben de afgelopen twee jaar zoveel doorgemaakt, dat drie jaar ver weg lijkt. Maar we zijn nu in gesprek met de Raad voor Cultuur. Het is mij duidelijk dat een instelling als dit medefinanciering van de overheid nodig zal blijven hebben.”