Oeps. We waren het toch zelf

Minister Ronald Plasterk (Binnenlandse Zaken, PvdA) heeft geen hekel aan interviews – en de laatste wending in de NSA-affaire illustreert dat hem dit lelijk kan opbreken.

Gisteren bleek dat de bewindsman vorig jaar onjuistheden verkondigde over vermeende operaties van de Amerikaanse inlichtingendienst NSA in Nederland. De Kamer houdt dinsdag een spoeddebat.

Veeg teken: dezelfde Kamer besloot minister Hennis-Plasschaert (Defensie, VVD), medeverantwoordelijk voor de inlichtingendiensten, niet uit te nodigen voor het debat. Plasterk staat er dus alleen voor.

Vooral in een interview met tv-programma Nieuwsuur, op 30 oktober, en een Kamerdebat korte tijd later, 6 november, blijkt Plasterk stellingen te hebben betrokken die hij gisteren op één A4’tje aan de Kamer introk.

Aanleiding voor het vraaggesprek was de publicatie van een grafiek in het Duitse weekblad Der Spiegel, van klokkenluider Edward Snowden, die de indruk wekte dat de NSA de laatste maanden van 2012 maarliefst 1,8 miljoen telefoontjes in Nederland had geregistreerd. Het ging niet om afgeluisterde telefoontjes, het betrof zogenoemde metadata: wie met wie op welk moment belde.

Plasterk was ervan overtuigd dat de betreffende data door de Amerikanen in Nederland waren vergaard. De 1,8 miljoen gesprekken „zijn niet door de Nederlandse diensten verzameld en dus ook niet verschaft aan de NSA”, zei de minister 30 oktober in Nieuwsuur. In de Tweede Kamer vertelde hij 6 november bovendien dat „de Amerikanen (…) de metadata hebben verzameld”.

En gisteren bleek dat dus te berusten op een misverstand. Met Hennis schreef hij de Kamer dat ‘de circa 1,8 miljoen records metadata door de Nationale Sigint Organisatie (NSO) zijn verzameld in het kader van terrorismebestrijding en militaire operaties in het buitenland’. Niet de NSA had de data verzameld – het waren de Nederlandse diensten zelf geweest.

De Kamer gaf ogenblikkelijk blijk van verontwaardiging. De SP stelde de vertrouwensvraag. Andere oppositiepartijen vroegen de gebruikelijke opheldering. Woordvoerder Dijkhoff van coalitiepartner VVD noemde het opereren van Plasterk „niet ideaal”. Plasterks partijgenoot Recourt (PvdA) zei „dat we moeten uitzoeken hoe dit mis heeft kunnen gaan”.

Pikant genoeg blijkt nu dat Plasterk vorig jaar vanuit het kabinet al werd gewaarschuwd zich terughoudend op te stellen bij mediavragen over het opereren van de Nederlandse diensten. Zo ontraadde Hennis, wier militaire MIVD de principiële partner van de NSA is, hem bovengenoemd interview met Nieuwsuur, zo bevestigen Haagse bronnen. Niet alleen begaf Plasterk zich voor een deel op haar beleidsterrein, ook was zij van mening dat het te vroeg was voor al te stellige uitspraken.

Plasterk ging toch naar de studio, en sprak daar in lijn met eerdere optredens: na de eerste onthullingen in de Britse krant The Guardian hield hij vanaf vorig jaar juni vol dat Nederlandse diensten niet werkten zoals de NSA bleek te doen. Zo sprak hij in de zomer al tegen dat Nederlandse diensten werkten zoals het programma Prism: het opslaan van vrijwel al het internetverkeer. Ook de Kamer toonde zich destijds uitermate verontwaardigd over de affaire, en eiste van het kabinet toezeggingen dat Nederlandse diensten zich niet op dit pad zouden begeven.

Dus toen het verhaal over de 1,8 miljoen telefoontjes naar buiten kwam, had Plasterk al bijna geen alternatief meer dan met de vinger naar de Amerikanen te wijzen: Nederlanders zouden dat nooit doen.

Haagse bronnen bevestigen dat er nadien een hard bureaucratisch gevecht is gevoerd over de manier waarop – en wanneer – de feiten naar buiten zouden worden gebracht. Dat het gisteren gebeurde, hield volgens de officiële lezing verband met een lopende rechtszaak. Ook zou een rol spelen dat de CTIVD, toezichthouder op de inlichtingendiensten, binnenkort een kritisch rapport over de Nederlandse verzameling van metadata zou publiceren.

In elk geval benadrukten kabinet en coalitiepartners dat de door Nederland verzamelde metadata ‘rechtmatig zijn gedeeld met de VS’, zoals Plasterk en Hennis de Kamer schreven. Fijnproevers wezen erop dat het kabinet daarmee niet stelde dat de data ook rechtmatig waren verzameld. De ironie van de geschiedenis is namelijk dat de CTIVD nog in 2011 rapporteerde dat de wijze waarop de Nederlandse diensten met deze data omgaan, in een aantal gevallen juist ‘onrechtmatig’ was.