Not guilty, zegt de top van Anglo Irish

De voormalige top van Anglo Irish moesten zich gisteren verantwoorden voor de ondergang van hun bank.

Manipulatie zou hebben geleid tot de nationalisatie in 2009. Verslag van het grootste proces uit de Ierse geschiedenis.

Foto AP

Daar zitten ze dan, Séan FitzPatrick, Willie McAteer, Pat Whelan. De voormalige top van de Anglo Irish Bank. In het houten verdachtenbankje van het Criminal Court of Justice in Dublin. „Niet schuldig”, zeggen ze één voor één.

Ze worden ervan verdacht in juli 2008 namens de bank geld te hebben geleend aan zes familieleden van ondernemer Séan Quinn, ooit de rijkste man van Ierland, en tien andere welvarende Ieren. Daarmee zouden deze zestien vervolgens aandelen in de bank hebben gekocht. Doel zou zijn geweest de aandelenprijs van Anglo Irish te laten stijgen, en de bank – enkele maanden voor deze moest worden genationaliseerd – gezonder te doen lijken dan zij was.

Met ruim honderd getuigen, 800 getuigenverklaringen en 24 miljoen documenten is het proces het grootste in de Ierse geschiedenis. Onder de opgeroepen getuigen zijn de oud-gouverneur van de centrale bank, topambtenaren van het ministerie van Financiën, en Quinn. Het is ook een van de zeldzame rechtszaken tegen de top van een bank.

In zijn openingspleidooi maakte aanklager Paul O’Higgins gisteren duidelijk dat de drie mannen verdachten zijn: „Onschuldig tot het tegendeel is bewezen, is geen gunst. Het is het fundament van onze rechtstaat.” Die uitleg lijkt overbodig, maar de publieke woede over de nationalisatie van Anglo Irish is nog altijd zo groot dat de jury Fitzpatrick, Whelan en McAteer wellicht in gedachten al had veroordeeld. De kapitaalinjectie in Anglo Irish was een van de redenen dat Ierland uiteindelijk financiële noodhulp nodig had.

Al in een eerder stadium was besloten dat het onmogelijk was twaalf juryleden en drie achtervangers te vinden die helemaal nooit van Anglo Irish hadden gehoord. Uiteindelijk kwamen voor de jury alleen Ieren in aanmerking die geen aandelen in de bankensector hadden, niet in de financiële sector werkzaam waren en zich niet publiekelijk hadden uitgelaten over de bank.

O’Higgins legde hun gisteren tot in detail uit hoe bedrijven en hun directie aansprakelijk kunnen worden gesteld, wat aandelen zijn en hoe deze „de eerlijke mening van het publiek zijn in wat de waarde van een bedrijf is”. Het is daarom volgens hem „onwenselijk” als aandelen worden verhandeld zonder dat de buitenwereld daarvan afweet.

De verdachten luisterden aandachtig. Ze leken zich nauwelijks bewust van elkaars aanwezigheid – als echtgenoten die elkaar na jaren weinig meer te vertellen hebben. Pas na de lunch werd er onderling wat gefluisterd. Fitzgerald schreef af en toe druk mee. Whelan bestudeerde de overvolle rechtszaal, McAteer lette op de jury.

O’Higgins beschreef hoe in 2007 de top van Anglo Irish zich steeds meer zorgen maakte over de indirecte aandelen – zogenoemde contracts for difference, derivaten – die Quinn en diens familie in handen hadden. Die waren niet alleen „tientallen miljoenen” waard, maar vertegenwoordigden ook nog eens een kwart van de aandelen in de bank. „De raad van bestuur probeerde daar een einde aan te maken.”

Volgens de aanklager reisde het management onder meer naar het Midden-Oosten en werden Amerikaanse investeerders benaderd om aandelen Anglo Irish te kopen. Maar niemand had belangstelling. Zeker niet nadat de Amerikaanse bank Bear Stearns in maart 2008 over de kop ging en de wereldwijde bankencrisis inzette. De aandelen Anglo Irish, in 2007 nog 17 euro waard, daalden in de dagen daarna tot 6,50 euro.

Volgens O’Higgins kwamen de drie verdachten met een „absoluut illegaal” en „gechoreografeerd” plan: Quinn en de anderen zouden 10 procent van de aandelen kopen, en dat na beurs bekendmaken. Maar in plaats van dat Anglo Irish zo geld binnenkreeg, bood de bank de zestien aan het geld te lenen. „Het zou gaan om zeker 700 miljoen euro. De behandeling van de zaak duurt zeker vier maanden.