Geen einde aan bloedvergieten CAR

De hoop keerde terug toen Catherine Samba-Panza vorige maand president werd van de Centraal-Afrikaanse Republiek. Maar haar ‘kinderen’ luisteren niet. De slachtingen gaan door.

Voor Amnesty International zijnJoanne Mariner enDonatella Rovera naar de CAR gegaan om de schendingen in kaart te brengen.
Voor Amnesty International zijnJoanne Mariner enDonatella Rovera naar de CAR gegaan om de schendingen in kaart te brengen.

De komst van honderden extra vredessoldaten en het aantreden van een nieuwe president met de bijnaam ‘Courage’ (Moed) heeft geen einde gemaakt aan het bloedvergieten in de Centraal-Afrikaanse Republiek. Nog steeds maken christelijke milities vrijwel ongehinderd klopjacht op moslims. Tegelijkertijd trekken islamitische strijders zich terug naar hun traditionele woongebied in het noordoosten van het land en maken ze plannen voor een nieuwe opstand.

Dat het moorden gewoon doorgaat, werd gisteren opnieuw duidelijk toen in de hoofdstad Bangui een jongeman op straat werd gelyncht omdat hij zou hebben behoord tot een van de islamitische milities van Séléka, de alliantie die vorig jaar de macht greep in de CAR. Aan de lynchpartij deden nota bene regeringssoldaten mee. Die hadden juist een plechtigheid bijgewoond in aanwezigheid van de vorige maand benoemde president Catherine Samba-Panza om de wederopbouw van het leger te markeren na de chaos van het afgelopen jaar.

Wraakacties treffen niet alleen voormalige rebellen van Séléka, maar ook gewone moslims die vaak al generaties lang in de overwegend christelijke CAR wonen. In het stadje Bossangoa bijvoorbeeld, 300 kilometer ten noorden van Bangui, zochten honderden islamitische ontheemden een veilig onderkomen in een school. Maar uit angst voor aanvallen door christenen nemen ze nu de benen. „Er is geen plaats voor ons in dit land, we vertrekken naar Soedan en Tsjaad”, vertellen ze.

In de hoofdstad Bangui plunderen christenen huizen van moslims en halen minaretten van moskeeën neer. Er zijn nu 5.000 Afrikaanse en 1.600 Franse vredessoldaten in de CAR, maar ze kunnen of willen niets ondernemen. Bijna 5.000 doodsbange moslims zijn al per vliegtuig geëvacueerd naar Tsjaad en andere moslimlanden in de regio.

Het conflict in de CAR begon begin vorig jaar met de opmars richting Bangui van een coalitie van moslimstrijders uit het noordoosten van het land, versterkt met huurlingen uit Tsjaad en Soedan. De coalitie, die zich Séléka noemde, nam in maart de macht over in Bangui, maar slaagde er niet in orde te scheppen. In tegendeel, leden van Séléka waren in grote mate verantwoordelijk voor het plunderen en moorden.

Na de Franse interventie in december moest de president van Séléka, Michel Djotodia, opstappen, en trokken zijn strijders weg uit de hoofdstad. Vorige week namen ze korte tijd het stadje Sibut in, de toegang tot het woeste noordoosten, en begingen daar grove misdaden tegen de inwoners. Volgens Human Rights Watch (HRW) werden ze daarbij bijgestaan door Tsjadische soldaten van de Afrikaanse vredesmacht in de CAR.

HRW zei gisteren dat de Séléka-strijders zich in het noordoosten hergroeperen. Mogelijk bereiden ze een nieuwe opstand voor, die de eenheid van de staat kan bedreigen. Vorige week dook een nieuwe strijdgroep op: de Onafhankelijkheidsbeweging voor het Noordoosten van de Centraal-Afrikaanse Republiek. In dit deel van het land heeft de regering in Bangui vrijwel nooit invloed uitgeoefend. De bewoners voelen er zich meer verbonden met hun geloofsgenoten in Tsjaad en Soedan.

De benoeming van Samba-Panza, burgemeester van Bangui, werd vorige maand algemeen verwelkomd. Ze riep „mijn kinderen” op de wapens neer te leggen. Tevergeefs, tot dusver.