Eet veel fruit en mijd de deurkruk

De sporters in Sotsji doen er alles aan om een griepje te voorkomen. De een draagt een mondkapje, de ander schudt geen handen.

Schaatser Sven Kramer tijdens een training in de Adler Arena. Elke sporter zich bewust van de risico’s op besmetting. In Sotsji komen honderd schaatsers dichtbij elkaar, uit alle delen van de wereld.
Schaatser Sven Kramer tijdens een training in de Adler Arena. Elke sporter zich bewust van de risico’s op besmetting. In Sotsji komen honderd schaatsers dichtbij elkaar, uit alle delen van de wereld. foto JERRY LAMPEN

Minstens een meter afstand houden tot vragende journalisten, geen handen schudden alstublieft. Bijna alle schaatsers volgen de ongeschreven verkeersregels van de mixed zone onder de Adler Arena, de prachtige olympische ijsbaan van Sotsji. „Alle sporters hier hebben angst om ziek te worden”, zegt Kevin Crockett, coach van de Koreaanse sprintster Lee Sang-hwa. „Zeker nu we dicht bij de wedstrijden komen is iedereen supervoorzichtig. Een verkeerde bacterie en vier jaar werk is om zeep.”

Topsport: leven op de grens van gezond en ongezond. Wie in de vorm van zijn leven verkeert, is kwetsbaarder voor rondwarende griepjes dan ‘gewone’ mensen. Vooral drukke, afgesloten ruimtes zijn weinig geliefd, zoals vliegtuigen, restaurants, supermarkten, maar ook perszalen. Een paar dagen op bed kan desastreus uitpakken. „Het is een sluipende dreiging”, zegt Gé van Enst, arts van de Nederlandse ploeg.

Schaatser Stefan Groothuis weet er alles van. Voordat hij afreisde naar de Zwarte Zee hield hij in Nederland zijn zoontje thuis van de crèche – notoire fabrieken van griepjes en verkoudheden. Groothuis leerde zijn lesje vier jaar geleden: in Vancouver was hij, net als in Sotsji, één van de favorieten voor goud op de duizend meter. „In het vliegtuig naar Vancouver zag ik iedereen in T-shirts zitten. ‘Hebben jullie het niet koud’, dacht ik. Zelf bleef ik maar dekens over me heen gooien.” Bij aankomst in Vancouver bleek hij koorts te hebben, veertig graden. Dankzij antibiotica werd hij een week later nog vierde, maar zijn Spelen waren mislukt.

Topsporters van allerlei pluimage hebben zich in het verleden verdiept in de materie. De Australische zwemmer Grant Hackett – drievoudig olympisch kampioen – plande zelfs zijn vluchten extra vroeg voor grote toernooien en reisde met speciale handschoenen en mondkapjes. De arts van de Britse ploeg in Londen (2012), Ian McCurdie, ging zelfs zover dat hij zijn sporters adviseerde geen handen te schudden, om het risico op bacteriën te minimaliseren. „Het draait allemaal om handhygiëne”, was zijn overtuiging.

De sporters die de komende weken willen vlammen op de Winterspelen – traditioneel midden in het griepseizoen – nemen allemaal hun eigen voorzorgsmaatregelen. Regelmatig handen wassen en gezond eten zijn de belangrijkste, zegt shorttrackster Sanne van Kerkhof. Veel groenten, veel fruit. En een muts opzetten met nat haar, zeker als het koud is buiten. „Daarnaast zoek ik geen plekken op waar heel veel mensen zijn. Ik ga niet ’s avonds niet nog ergens zitten om wat te drinken.”

De tienkoppige shorttrackploeg van Jeroen Otter slikt vitaminepillen die door de teamarts zijn voorgeschreven en uitgebreid getest op doping. Bovendien kregen de shorttrackers dit najaar een griepprik.

Maar de jaarlijkse anti-griepcocktail biedt geen garanties, merkte Jorien ter Mors, de sportvrouw met het drukste programma van allemaal. Zij wil in Sotsji geschiedenis schrijven met medailles op de langebaan én in het shorttrack. Maar die ambitie kon ze in het haar overvolle kwalificatiemaand al bijna overboord zetten toen ze ziek werd. Het kostte een waardevol olympisch ticket op de 3.000 meter (langebaan). Ter Mors haalt daar inmiddels haar schouders over op. „Het kost heel veel kracht, een griepje. Maar dat is topsport, het blijft je lichaam”, zegt ze nuchter. „Je moet het doen met wat erin zit. Uiteindelijk weet je wel dat je als topsporter op het randje leeft en snel iets oppakt.”

Sommige atleten gaan ver in hun poging last-minute-ziektes te voorkomen. Schaatser Jan Blokhuijsen mijdt zoveel mogelijk sociale contacten. En draagt al enkele jaren een ‘ionisator’ om zijn nek als hij rond de grote toernooien in contact moet treden met de buitenwereld. Het apparaatje zou de lucht ontdoen van bacteriën voordat die in zijn neus en mond komt. Of het daadwerkelijk helpt wist hij niet toen hij er twee jaar geleden naar werd gevraagd.

Alleen een placebo-effect? Ook dat helpt al, stelt ploegarts Van Enst. „Dat is intussen wetenschappelijk stevig bewezen. Het placebo-effect is niet alleen iets van de psyche, maar ook van stoffen aanmaken.”

Volgens Van Enst is elke sporter zich bewust van de risico’s op besmetting. „Hier komen honderd schaatsers dichtbij elkaar, uit alle delen van de wereld. Een reizend circus. In het olympisch dorp zitten nog veel meer sporters. Meestal begint de ellende met een infectie op de luchtwegen. Het slijmvlies van de mond naar de longen wordt dunner, lager belastbaar en dus gevoeliger voor bacteriën. Dat maakt een goed getrainde sporter rond wedstrijden enorm kwetsbaar.”

Sprinter Jan Smeekens, vorig seizoen winnaar van de wereldbeker op de 500 meter, vreesde even de Spelen te moeten missen. Een week voor het olympisch kwalificatietoernooi in Thialf werd hij ziek. Met hangen en wurgen plaatste hij zich. De les? „Ik doe er zoveel mogelijk aan om niet ziek te worden.” Na een zwaarder trainingsblok, als zijn weerstand laag wordt, gebruikt hij Kaloba-druppels, een kruidengeneesmiddel. „En dat ik al ziek ben geweest, is gewoon een voordeel. Die antistoffen neem je mee. Altijd positief blijven.”

Dat is ook de boodschap van de shorttrackers. „Je moet geen smetvrees krijgen, of bang worden voor een griepje bij elk glas dat je aanpakt”, zegt Ter Mors. En Sanne van Kerkhof: „Ik probeer er relaxed mee om te gaan. Je wilt niet in de stress raken om een winkelwagentje. Dat vreet ook energie – dan word je dáár weer ziek van.”

Ook Groothuis moet erkennen dat een topsporter niet alles in zijn omgeving kan beheersen. „Je kunt in een steriele kamer gaan zitten, en steeds op drie tot vijf meter van anderen blijven. Maar dan ben je er zo gestrest mee bezig dat je ziek wordt van de stress. Je houdt je hygiëne in de gaten, maar dat deed ik in 2010 ook. Een griepprik heb ik nooit, mondkapje ook niet.”

Ploegarts Van Enst is niet per se voorstander van een griepprik. „Griepvirussen veranderen voortdurend. Ben je ingeënt tegen het een, krijg je toch het ander.” Vooral niet zoenen, dat is nog erger dan handen schudden. En mijdt trapleuningen en deurkrukken. „En extra handen wassen, ik kan het niet genoeg zeggen.”

Tot nu toe is de Nederlandse ploeg gezond, aldus Van Enst. „Al moet je altijd een slag om de arm houden. Voordat iemand zichtbaar ziek wordt, is hij al geïnfecteerd en kan hij anderen besmetten. Zieke sporters zullen we zo snel mogelijk isoleren, maar dan ben je in feite al te laat.”

Dan is er volgens Crockett nog één remedie. „Bidden. Veel bidden en hopen.”