Een schitterend beroep

Bij de roltrappen op station Den Bosch voerden conducteurs actie tegen agressie. ‘Handen af van het spoorwegpersoneel!’ stond er op buikhoogte op de actiehesjes die ze over de uniformen hadden getrokken. De kleine conducteur werd uitgescholden voor ‘kut-kabouter’ en ‘hobbit’ „Hier”, zei een conducteur en hij drukte me een folder in de handen. „Doorlezen, en

Bij de roltrappen op station Den Bosch voerden conducteurs actie tegen agressie. ‘Handen af van het spoorwegpersoneel!’ stond er op buikhoogte op de actiehesjes die ze over de uniformen hadden getrokken.

De kleine conducteur werd uitgescholden voor ‘kut-kabouter’ en ‘hobbit’

„Hier”, zei een conducteur en hij drukte me een folder in de handen. „Doorlezen, en als je het uit hebt kun je het daarin gooien” – zijn arm wees naar een prullenbak.

Het door de vakbond voor rijdend personeel opgestelde schrijven ging over agressie tegen spoorwegpersoneel en wat je daar als reiziger tegen kon doen. De ene tip – ‘Denk aan uw eigen veiligheid’ – was makkelijker uitvoerbaar dan de andere – ‘Houd de dader aan’ – maar dat was muggenziften.

„Waar het om gaat is dat we de mensen in het gezicht smeren waar wij dagelijks mee te maken krijgen.”

Iedere dag werd er wel ergens een conducteur geslagen, poging tot wurging en ‘op de rails gooien’ kwamen ook voor.

„Uitgescholden worden is voor ons heel normaal”, zei een kleine conducteur met een baardje.

„Waarvoor dan?” hoorde ik mezelf vragen.

De kleine conducteur met het baardje: „Kut-kabouter, tuinkabouter, hobbit, Laaf.”

De agressie kwam vaak van zwartrijders, maar ook ‘gewone reizigers’ konden zomaar ‘ploffen’. Een van de conducteurs was ooit in de eerste klas aangevlogen vanwege de opmerking ‘Dan moet u de volgende keer maar het vliegtuig nemen’ nadat er geklaagd was over een vertraging. „Tand door de lip. Ik maak geen grapjes meer.”

Voor meer achtergrondinformatie diende ik de vakbond te bellen. Ik kreeg vakbondsbestuurder Wim Eilert aan de telefoon. Hij zat toevallig in de trein, de reis verliep ‘gesmeerd’, hetgeen gezien alle ellende die hij daarna schetste een wonder mocht heten. De vraag rees of het überhaupt leuk was om conducteur te zijn. „In wezen blijft conducteur natuurlijk een schitterend beroep”, zei Wim Eilert, die zelf nooit conducteur was geweest. Hij kwam met ‘vier dikke plussen’.

- „Je reist van A naar B, kriskras door het land.”

- „Je ziet van alles.”

- „Je komt met verschillende mensen in aanraking.”

- „Je doet ontzettend leuke contacten op.”

Met een zucht: „Het enige wat wij willen is dat onze mensen zich na gedane arbeid weer ongeschonden bij hun gezinnen kunnen voegen.” Daarna: „Als de conducteur niet meer met de trein kan, wat moeten we dan?”

Het vliegtuig nemen, dacht ik toen, maar het was bewezen dat dat geen leuk grapje was.