De zon gaat onder en de maan komt op

Het Teylers Museum in Haarlem vraagt aandacht voor schilderkunst die lang als edelkitsch werd afgedaan:de vroege romantiek uit Nederland en Rusland.

David Joseph Bles: Het huishouden van de familie H. Berniks, 1848
David Joseph Bles: Het huishouden van de familie H. Berniks, 1848

Groot is het verschil in levensgevoel dat uit deze twee schilderijen spreekt. Op De kersverse ridder van de Russische schilder Pavel Fjedotov uit 1846 zien we een ambtenaar die zich na de ontvangst van zijn eerste lintje uitvoerig heeft bezopen. In belachelijke, maar tegelijkertijd vertederende dronkemansheroïek staat hij te midden van overblijfselen van het drinkgelag, de versierselen van de keizerlijke onderscheiding trots op de zijden kamerjas gespeld. Zijn dienstmaagd, de koffiemolen al in de hand voor de bereiding van een ontnuchterende drank, beziet haar baas met spottende blik.

Naast dit staaltje maatschappelijke satire uit Rusland pakt een soortgelijk Nederlands werk uit dezelfde tijd bepaald braaf uit. Op Armoede en weelde. Het huishouden van de familie H. Berniks van de Haagse schilder David Joseph Bles uit 1848 zitten man en vrouw bedrukt om de tafel. De spaarpot is leeg, onbetaalde rekeningen stapelen zich op. Juist betreedt een schuldeiser het vertrek, de bakker wil al niet meer op krediet leveren. Slechts de ijdele, goedgeklede kinderen beseffen nog niet dat aan hun luxeleven door pa’s faillissement spoedig een eind komt. Hier geen komische exuberantie maar benepen moralisme: komt ervan, wanneer je boven je stand leeft.

Edelkitsch

Deze mogelijkheid tot culturele vergelijking danken we aan de laatste nabrander van het Nederland-Rusland-jaar 2013: een tentoonstelling van Nederlandse en Russische romantische schilderijen uit de eerste helft van de negentiende eeuw, afkomstig uit Teylers Museum in Haarlem, de Tretjakov-galerij in Moskou en de collectie van Jef Rademakers. Het is een wat ingewikkeld project: over wat nu precies onder romantiek in de kunsten moet worden verstaan, verschillen de meningen sterk, maar in ieder geval staat vast dat de romantiek in de schilderkunst – zeker wat de voor deze stroming niet echt toonaangevende landen Nederland en Rusland betreft – als ‘edelkitsch’ toch nog steeds enigszins in het verdomhoekje staat.

Dat ook de organiserende instanties een beetje met het project in de maag hebben gezeten, blijkt wel uit de aanzienlijke verschillen in de behandeling van de schilderijen zoals ze eind vorig jaar in Moskou in de Tretjakov Galerij hingen en zoals ze sinds vorige week in het Teylers Museum tentoongesteld worden. In Moskou heette de expositie Meer dan Romanticisme – kennelijk om het mogelijk verwijt van onbetekenende zoetige onzin op voorhand te bestrijden. Het hoofd tentoonstellingen in Moskou had geweigerd de Nederlandse en Russische doeken door elkaar heen op te hangen. In de Tretjakov Galerij was er een zaal met Russen en een zaal met Nederlanders, ordelijk gescheiden door een gang en een trapje.

Dezelfde expositie in Teylers heet De Romantische Ziel. Hier hangen de Nederlandse en Russische werken door elkaar, wat tot vergelijken uitnodigt. Daar is ook reden toe, want de preoccupaties van de schilders uit beide landen waren, in dit post-napoleontische tijdperk, eigenlijk dezelfde: een nieuwe, vaak melancholisch vertolkte aandacht voor existentieel menselijk drama, en drama in de natuur, waarbij het krachtig effect vaak ruimschoots wint van topografische nauwkeurigheid. Waar precies Schaatsers in de buurt van een Hollandse stad van Andreas Schelfhout uit 1857 is gesitueerd, blijft duister: de stad op de achtergrond is meer een archetype.

Dat geldt ook voor de fascinerende fantasiestad op Bartholomeus Johannes van Hoves Stadsgezicht aan de Rijn, bij ondergaande zon uit 1836. Ook bij de Russen gaan veel zonnen onder, zoals op Het oversteken van de Dnjepr door Nikolaj Vasiljevitsj Gogol van Anton Ivanov uit 1845, waar de Russische rivier sterk aan een Italiaans meer doet denken.

De maan daarentegen komt meestal op, want het nachtlandschap is een van de verworvenheden van de romantische schilderkunst. Recht tegenover de ingang van de expositie hangt het vermoedelijk spectaculairste doek: Eik gespleten door een bliksemschicht van Maksim Vorobjov uit 1842, waar het natuurgeweld het zonder duidelijke menselijke aanwezigheid op het doek kan stellen. Bij zoveel Russische onstuimigheid vallen de landschappen van Barend Cornelis Koekkoek – vermoedelijk de bekendste Nederlandse schilder uit deze periode – toch een beetje tam uit.

Een William Turner, een Eugène Delacroix, een Caspar David Friedrich – iets vergelijkbaars met deze genieën van de romantische schilderkunst hebben Nederland en Rusland niet voortgebracht. Maar het belang van deze expositie ligt misschien ook niet zozeer in de wat toevallige vergelijking van schilderijen uit beide landen, maar in het feit dat zij een stapje is in de voortgaande rehabilitatie van de negentiende eeuw. In de tweede helft van die eeuw, toen industriële revolutie, mondialisering en nationalisme het leven nieuwe snelheid verschaften, is de eerste helft in kwade reuk geraakt als een periode van duffe stagnatie – een oordeel dat tot voor kort eigenlijk de consensus is gebleven.

Kosmopolitisch

Negentiende-eeuwse schilderkunst van betekenis, dat waren tot voor kort werken van na 1850, zoals in Rusland de realistische doeken van Ilja Repin met hun nationale thema’s, of in Nederland de realistische doeken van de Haagse school. Maar in Teylers kun je zien dat er in de decennia daarvoor een Europese kunst bestond die op een bepaalde manier veel kosmopolitischer was: Russen en Nederlanders schilderden dezelfde zon, dezelfde maan en dezelfde landschappen die – of ze nu in Rusland of Nederland zijn gesitueerd – toch vooral aan het broeierige Italië doen denken. Alleen al dat kosmopolitisme maakt deze kunst sympathiek.

Gek eigenlijk, dat het zo lang heeft geduurd voordat er weer wat waardering is ontstaan voor deze kunst, die in de tijd zelf razend populair was en heftig bediscussieerd werd. Je vraagt je onwillekeurig af, hoe het ónze eigentijdse kunst over pakweg honderd jaar zal vergaan. Wil iemand die dan nog hebben? Of wordt-ie geminacht?