De man, de stad en zijn bier

Halverwege de 19de eeuw was Amsterdam een vervallen en vieze stad. Enkele decennia later bruiste de stad weer. In die vernieuwing speelde de bijna vergeten Gerard Heineken een rol. Met een biografie krijgt de grondlegger van het bierconcern alsnog zijn plek in de geschiedenis.

Illustratie Fokke Gerritsma, beeldbewerking NRC fotodienst

‘Het is eigenlijk niet smerig genoeg”, zegt Annejet van der Zijl. In de bar van Die Port van Cleve – een hotel-restaurant waar tegenwoordig vooral toeristen en nauwelijks nog Amsterdammers komen – hangt een bleke muurschildering met de hoofden van Gerard en Freddy Heineken. De grondvester en de uitbouwer van het bierimperium samen, boven een afbeelding van de gevel waarachter 150 jaar geleden de eerste Heinekenbrouwerij bier begon te produceren.

De schrijfster trekt haar jas aan en zet een hemelsblauwe muts op. We maken de levenswandeling van de man wiens biografie zij schreef. In 1863 kocht Gerard Heineken voor 86.400 gulden De Hooiberg, de kleinste van de drie brouwerijen in Amsterdam. Het fortuin dat hij met zijn bier maakte, is in de stad gaan zitten, heeft de stad uit het drijfzand helpen trekken, zoals Van der Zijl het noemt in haar boek Gerard Heineken. De man, de stad en het bier.

En daarom vindt ze de muurschildering niet smerig genoeg. Toen Gerard Adriaan Heineken aan het Singel [1] geboren werd, in 1841, wás Amsterdam smerig. Het stonk er naar zwavelgas en rotting. Cholera hing boven het vuile water. De gemiddelde levensduur van een Amsterdammer was 35 jaar. In de Nieuwe Kerk, pal tegenover Die Port van Cleve, voorheen De Hooiberg [2], werden nog altijd doden begraven, „in ondiepe, slecht afgesloten graven”. Gerards vader lag er ook.

Annejet van der Zijl schreef over een man én over de wedergeboorte van een stad. In 1841 was Amsterdam vervallen, lag de haven stil en zaten de vermolmde regentenfamilies op hun geld en wie hun vroeg te investeren in de stad, in een treinstation of in een kanaal dat Amsterdam weer zou openleggen voor de handel, die kreeg steevast nee te horen. „Tegenwerken, ophouden is de leus”, foeterde minister-president Thorbecke.

Van der Zijl ziet een parallel met de tijd dat zij van Friesland naar Amsterdam verhuisde. „In 1983 was de stad echt verloederd, met haveloze woningen. En in 1988 verhuisde ik naar Londen, dat was nog erger. Maar de afgelopen decennia heeft de stad zich weer opgericht, Amsterdam evengoed als Londen. Net als toen.”

Want toen Gerard Heineken stierf in 1893 bruiste Amsterdam weer als in de zeventiende eeuw. In de tussenliggende halve eeuw waren er nieuwe wijken verrezen, en moderne hotels als het Amstel (1867) en American (1881), het Paleis voor Volksvlijt (1864), een nieuw treinstation, Amsterdam Centraal (1889), en het Rijkmuseum (1885). In 1883 werd er de Wereldtentoonstelling georganiseerd waar aan het Heineken-bier een Diplôme d’Honneur werd verleend dat nog altijd het etiket siert. De trekschuit werd afgeschaft, tram en trein namen zijn plaats in. „’t Is alsof de stoom zijn drijfkracht op ’t mensdom heeft overgeplant”, schreef een tijdgenoot.

In bijna al die vernieuwingen speelde Gerard Heineken een rol, soms bij het initiatief, maar in elk geval bij de financiering. Dat hij in een hoekje van de (bedrijfs)geschiedenis is gemoffeld, dat er in de stad die zoveel aan hem te danken heeft, nog geen steeg naar hem vernoemd is, dat vindt Annejet van der Zijl een historisch onrecht. „Wat er ook van dit boek wordt, ik ben tevreden dat ik deze man zijn plaats in de geschiedenis van Amsterdam heb teruggegeven.”

De reden dat hem die plaats is onthouden, heeft Van der Zijl ook gevonden in haar onderzoek. Na jarenlange pogingen Gerard te chanteren, maakte een jaloerse en geldbeluste zwager in 1890 wereldkundig dat Gerards zoon H.P. Heineken niet zijn biologische kind was, maar dat van de minnaar van zijn vrouw. De zoon heeft later eigenhandig alle papieren van Gerard uit het archief gehaald en vernietigd. Uit gêne, denkt Van der Zijl, of uit liefde voor zijn echte vader.

„Er was alleen een Gerardvormige leegte in dat archief. Ik heb dus enorm moeten zoeken in allerlei andere bronnen om me een beeld te kunnen vormen van het soort man dat hij was.” Wat ze vond, duidde niet alleen op een briljant zakenman en een overtuigd voortrekker van de stad, maar ook op een goed hart, zoals zijn vrienden benadrukten: „Hij genoot het goede der aarde gaarne en met erkentelijkheid, maar deed tevens alles om te zorgen dat anderen het goed hadden (...) Niemand die bij hem aanklopte, is ooit weggegaan zonder dat hij kreeg wat hij vroeg.” Behalve die wrokkige zwager dan.

We lopen naar de halte van lijn 10, de tram die Van der Zijl nam als ze van haar huis in de Jordaan naar het hoofdkwartier van Heineken op het Weteringplantsoen ging. Als je langs de binnenkant van de Singelgracht van oost naar west rijdt, zoals wij, zie je de oude stad door het linkerraam en aan je rechterhand de nieuwe. Elf haltes, en rechts rolt de negentiende eeuw voorbij.

Oud, links: twee huisjes op de Marnixstraat, om de hoek bij de Bloemgracht. Ze staan erbij alsof ze door de grond zijn gezakt. „In de negentiende eeuw werden nieuwe huizen aangelegd op een extra meter zand”, zegt Van der Zijl. Deze huisjes zijn de overblijfselen van een oudere stad.”

Nieuw, rechts: het American Hotel aan het Leidseplein, waarin de eerste lift van het land bezoekers naar het belvédère op het dak bracht – in het begin nog met mankracht getakeld. Mata Hari bracht er haar huwelijksnacht door.

Van der Zijl wijst over het Leidsebosje heen naar het Vondelpark (1865) en het terrein van de Wereldtentoonstelling waar negers uit Suriname en Javanen uit Nederlands-Indië werden geëxposeerd. We passeren het Rijksmuseum. Gerard Heineken organiseerde het eerste, nog primitieve onderkomen ervan, zat in de Raad van Toezicht en schonk het museum prenten en handschriften uit zijn bezit, evenals flinke geldsommen.

Met dezelfde vernieuwingsdrift stuwde Gerard Heineken zijn eigen bedrijf op. Hij introduceerde het ondergistend bier in Nederland, met zijn lichtere smaak en betere houdbaarheid. Hij investeerde in steeds betere koelsystemen. En hij deelde ook elleboogstoten uit aan concurrenten. Hij kaapte hun klanten weg en was er trots op dat hij „zeer goed geslaagd was” in het namaken van het bier van het Rotterdamse merk d’Oranjeboom. Toch schreef zijn eigen Duitse directeur dat Heineken uiteindelijk niet „de zakenman was die hij had moeten zijn”, met zijn „grossartig gutes Herz”.

Met zijn geld steunde Gerard Heineken de visionaire stadsvernieuwer Samuel Sarphati. Door de oude elite werd die als „een luidruchtige Jood” beschouwd, schrijft Van der Zijl, maar de jonge Heineken en zijn leeftijdgenoten investeerden in Sarphati’s projecten: een meel- en broodfabriek voor de armen, een ambachtsschool, een particuliere vuilnisophaaldienst, een kredietbank en het weergaloze Paleis voor Volksvlijt.

De stad werd schoner. Door de aanleg van het Noordzeekanaal (1876) begon het aloude spoelsysteem van de grachten weer te functioneren. De stank en het vuil spoelde de grachten uit. De stad werd lichter, letterlijk. Op 5 februari 1879 kon Amsterdam zich vergapen aan het licht van 7.500 elektrische lampjes die van de gevel van Die Port van Cleve straalden.

„Ik kom uit een tijd dat vooruitgang slecht heette te zijn en zakendoen vies en voos was”, zegt Van der Zijl. „Mijn ouders waren trouwe volgers van de Kleine Aarde en de Club van Rome. Ze hebben nog steeds principieel geen auto – en dat in het zuidwesten van Friesland. Ik vond het heerlijk om voor dit boek terug te keren naar een tijd waarin vooruitgang nog omhelsd werd en om te zien dat zakendoen samen kan gaan met idealisme.”

We staan voor de Villa Heineken [4] die Gerard in 1890 voor zichzelf aan het Weteringplantsoen liet bouwen. „In het niets”, zegt Van der Zijl. Nu pompt het verkeer rond het Weteringcircuit. Aan de overkant van de Singelgracht ligt de Heinekenbrouwerij [3]aan de rand van de Pijp, de wijk die in de jaren zeventig van de negentiende eeuw uit de grond werd gestampt om plaats te bieden aan de nieuwe inwoners die afkwamen op de bloeiende stad.

Van der Zijl vindt het tekenend voor Heinekens liefde voor Amsterdam dat hij zijn villa niet buiten de stad neerzette, zoals veel rijken in die tijd deden. Het is een wonderlijk bouwwerk, van gotiek en renaissance, met demonische waterspuwers en chaletdakjes. Bovenop de torentjes, wijst Van der Zijl, staan de stokken waar vroeger de telefoondraden liepen. Heineken was een van de eerste telefoonbezitters van de stad: met abonneenummer 61, doorverbonden door een telefoniste die Voorwaarts! zei als je kon spreken.

In Amsterdam werd in die tijd de oude elite vervangen, de elite waaraan schrijver E.J. Potgieter de spreekwoordelijk geworden Jan Saliegeest toedichtte. Of moeten we zeggen dat de nieuwe elite de oude domweg links liet liggen? Links van tramlijn 10 woonde de oude elite in haar ‘hoenderhok’, zoals de grachtengordel werd genoemd. De nieuwe rijken, de high-lifeurs in modieus fantasie-Engels, trokken naar rechts, naar de buurt rond het Vondelpark en het nieuwe Concertgebouw (1888). Ze bliezen de stad nieuw leven in. Net als nu, zegt Annejet van der Zijl, terwijl ze terugloopt naar de tram. „Ik leef in mijn boeken de levens van andere mensen. En ik leer van allemaal. Van Annie Schmidt: how to live. Van Sonny Boy: how to love. En van Gerard Heineken: hoe om te gaan met crisis.”

Ze kijkt sinds ze dit boek schreef anders naar de tijd van nu, zegt ze. Crisistijd. „Ja, soms bekruipt mij ook wel de melancholie van het papier dat verdwijnt, dat boekhandels sluiten en het einde van instituten als de International Herald Tribune. Maar ook nu maakt het allemaal plaats voor iets nieuws en dat tintelt. Voorwaarts!