Opinie

Dagboek (1)

Tussen oude ansichtkaarten en brieven op Marktplaats vond Ebrahim el Hadidy, de verzamelaar over wie ik gisteren schreef, een handgeschreven dagboek van een Joodse onderduiker. Het was uit een inboedel verkregen. De onderduiker bleek Meijer Frenkel te heten (niet te verwarren met de arts Frenkel die ik in mijn eerste stukje noemde), geboren op 27 juni 1910. Dit emotionele dagboek beslaat 38 dagen en 18 pagina’s in het boekje Brief aan dr. Frenkel, dat El Hadidy in eigen beheer uitgaf.

Meijer Frenkel zat tijdens de Tweede Wereldoorlog ondergedoken op het adres Noorderhavenkade 92B in Rotterdam bij een twaalf jaar oudere, niet-Joodse vrouw, Mien Boers geheten. Tussen hem en de vrouw ontstond een liefdesrelatie. Het dagboek begint op de dag – in welk jaar is niet duidelijk – dat hij thuiskomt en merkt dat zij en haar zoontje Piet zijn verdwenen. Ik zal een aantal treffende passages overnemen.

5 november, dag 1

„Mijn lieve vrouw,

Even nadat jij bent weggegaan – ze verlieten onze woning pas om twaalf uur ’s nachts – is het grote ongeluk pas duidelijk tot me doorgedrongen.

Half gek van verdriet ben ik door ons huis gegaan, ons huis, ontwijd door de ruwe stappen en handen van de indringers. Smartelijker dan ooit heb ik toen gevoeld hoeveel je voor mij betekent. Ik heb rondgelopen en rondgelopen tot me duidelijk was dat ik gaan moest. Gezoend heb ik al datgene wat jij gewend was aan te raken, waar jij zorgzaam over gewaakt hebt. De voorwerpen leken dood en dof nu jij er niet was om ze te verzorgen. Want het zijn niet de dingen waarnaar we hunkeren in het leven, het is de geest die de dingen levend maakt.

Ik weet niet hoe lang we gescheiden zullen moeten leven. Ik weet ook niet of we het beiden kunnen volhouden, maar één ding weet ik wel: wat ook te gebeuren staat, nooit zal ik spijt hoeven hebben van ons samenzijn. Twee rijke jaren heeft het leven ons geschonken, een rijkdom die snel niet taalbaar is, maar niettemin bestaat en ons overeind houden zal.

Iederen dag zal ik je schrijven en als de boze droom voorbij is, zal jij dit lezen. Onopgesmukt en onveranderd, recht uit het hart, zullen bladen uit mijn dagboek je vertellen van mijn zorgen, verlangen en liefde voor jullie beiden die ik moest achterlaten.

Dan, kind, als je dit weer zult kunnen lezen zal de tijd anders zijn, zullen we eindelijk de verdiende betere toekomst tegemoet gaan.”

Frenkel vertrekt naar een ander onderduikadres. „Ik ben vandaag op een tijdelijke bestemming aangekomen en daar is iets van rust en vooruitzicht”, schrijft hij op 8 november.

12 november, dag 8

„Mijn vrouw, ik wil niet tegen je liegen, ook niet op papier. Donkere gedachten en donkere vermoedens over je lot spoken me almaar door de gedachten. Ik heb een ietsje vernomen, niet over jou, maar dat heeft me zo van de kaart gebracht. Wat konden wij er toch aan doen dat we zo innig van elkaar gehouden hebben? Zal het je ooit berouwen, kind, zal je hetgeen je misschien moet doorstaan niet een te hoge prijs vinden voor zo weinig geluk? Nee hè vrouw, het geluk was niet weinig? Veel, heel veel zijn we voor elkaar geweest, na twee jaar meer nog dan in het begin. Ach, was je maar bij me om ja te zeggen.”

Wordt vervolgd.