Wij hebben alles onder controle hoor

Een dorp is voor een Sumatraan meer dan een thuis. De graven net voorbij de laatste huizen staan voor het verleden. De oogst op de velden is de toekomst. De honden die er rondlopen zijn trouwe bewakers. En als ze zes maanden oud zijn een lekkere delicatesse.

Het dorp is alles.

Dus kan zelfs de lava en as spuwende Sinabung, die afgelopen weekend zestien mensen doodde, de bewoners niet verdrijven uit Kuta Raya, op de flank van de vulkaan. Als ze denken dat het veilig is, verlaten ze de opvangkampen in het dal en beklimmen de boerenfamilies de berg.

Met stokken beitelen ze de aangekoekte vulkaanmodder van hun daken. Met een bijl bevrijden ze een brommer onder het puin van een ingestorte schuur. Met een schoffel wroeten ze in hun akkers om de constateren dat de kool, tomaten, koffiebonen en sinaasappelen verloren zijn.

Zo keren iedere dag bewoners van de vluchtelingenkampen terug naar hun huis om te treuren en tegen beter weten in de boel schoon te houden. Portiekjes die ’s ochtends schoon worden geveegd, liggen een paar uur later onder een duimdikke laag as.

En dit weekend ging het dus mis. Tijdens een van de dagelijkse uitbarstingen werden zestien mensen opgeslokt door een aswolk van duizend graden, die met een paar honderd kilometer per uur naar beneden stortte.

Ach, dit is geen grote jongen

Verantwoordelijk voor de kampen is Rochmali, bevelhebber van de Indonesische rampenbestrijdingsdienst op Sumatra. Hij is zenuwachtig. Over twee dagen komt president Susilo Bambang Yudhoyono op bezoek. En Rochmali moet zorgen dat het bezoek gesmeerd loopt.

Dat levert stress op, maar gespannen omdat er een vulkaan in zijn regio dagelijks uitbarst is hij allerminst. „Ach, dit is helemaal geen grote jongen. Wij hebben de boel perfect onder controle.”

Wat is dan wel een echte ramp? De aardbeving op Haïti, waar hij doden hielp bergen. Of Fukushima. Trots laat hij zijn paspoort zien. „Als dank voor onze hulp, kreeg ik van de Japanners een multi-entry-visum.”

De gelaten reactie van de autoriteiten bij natuurgeweld is een terugkerend fenomeen. Of het een vulkaanuitbarsting in het noorden van Sumatra of een overstroming in miljoenenstad Jakarta is, maakt dan weinig uit. Iedere keer weer wordt er laat en weinig daadkrachtig gereageerd.

Dus sterven in Indonesië bijna wekelijks tientallen mensen door natuurrampen die niet meer dan een kort berichtje op de avondjournaals zijn. Vrijwel iedere week komen ergens in de archipel mensen om het leven als gevolg van overstromingen, aardverschuivingen en weggeslagen bruggen.

Met regelmaat wijzen experts op de ongunstige ligging van het land. Indonesië ligt aan de Ring van Vuur en telt ongeveer 130 actieve vulkanen. Bovendien ligt het land in de tropen, waar de seizoensregens genadeloos zijn. Maar keer op keer gaat het bij natuurgeweld mis.

We hebben best wat gedaan

Ook bij de Sinabung-vulkaan werden de veiligheidsmaatregelen nauwelijks nageleefd. Als de Nederlandse journalist echt aandringt, wil Rochmali wel over Sinabung vertellen. „We hebben dertigduizend bewoners geëvacueerd naar ruim veertig opvangkampen. Een gebied met een omtrek van vijf kilometer rondom de krater is verboden terrein.”

Het klopt dat boven de weg een spandoek waarschuwt voor hete as en koude lava. Maar er staat geen politieagent, militair of vrijwilliger te posten. Scooters met boeren, busjes met gezinnen en vrachtwagens rijden ongemoeid door.

En in de opvangkampen is nauwelijks meer aandacht voor de getroffen bevolking. Met honderden tegelijk slapen de ontheemden in vervallen klaslokalen. Ziektes gaan rond. Sommige kampen hebben slechts twee wc’s. Kinderen gaan al maanden niet naar school omdat de ouders het lesgeld niet meer kunnen betalen. Oude vrouwen weven mandjes van riet om nog een beetje geld te verdienen. Als de staat niet voor je zorgt, moet je creatief zijn. De steun die de ontheemden wel krijgen is allesbehalve barmhartig. Op de binnenplaats van een van de scholen die dienst doet als noodlocatie vormt zich een rij. Een voor een mogen de bewoners het podium betreden om een voedselpakket en een briefje van 100.000 roepia (ruim 6 euro) in ontvangst te nemen. Ze moeten een lijst tekenen en krijgen een preek van een man met een megafoon. Dit is een gift van de provincie, wees er dankbaar voor en wees er zuinig op, zegt hij. Dan moet iedereen op de foto.

In april gaat het land naar de stembus en politici doen er alles aan te laten zien dat zij mannen en vrouwen van het volk zijn. In een van de weinige kampen waar wel een lange rij toiletten en wasbakken opgesteld staat, hangt een spandoek met de tekst: ‘Deze toiletten zijn gedoneerd door Halpian S. Meliala, kandidaat voor het parlement namens de Strijdende Indonesische Democratische Partij.’

Sceptisch over steun politici

Maar de bewoners van de opvangkampen zijn sceptisch over de steun van de politici. Het liefst willen ze voorgoed naar huis. Maar de kans dat de vulkaan nog maanden of zelfs jaren rommelt is groot. De regering heeft aangekondigd de bewoners permanent onder te willen brengen in dorpen verder weg van de vulkaan.

Het vertrouwen dat daar ook daadwerkelijk geld voor wordt vrijgemaakt is klein. Heni Sitepu, die voor de uitbarsting op het land werkte en nu ze samen met de andere vrouwen enorme maaltijden voor het kamp kookt, zegt: „Straks moeten wij onze huizen herstellen en ons land opnieuw inzaaien. Dan hebben wij aandacht nodig, maar ik ben zo bang dat iedereen ons dan alweer vergeten is.”