Provoceren: over de top kwetsend of heel erg lomp

Een bulldozer aan het werk bij een kolenmijn in Kentucky. 40 procent van de uitstoot van CO2 in de VS komt door kolen. Het is de meest vervuilende energiebron.
Een bulldozer aan het werk bij een kolenmijn in Kentucky. 40 procent van de uitstoot van CO2 in de VS komt door kolen. Het is de meest vervuilende energiebron. Foto AFP

Provocateurs zijn er in soorten en maten, maar als er íémand het predicaat ‘beroepsprovocateur’ verdient, is het de 47-jarige Franse komiek Dieudonné. De afgelopen jaren wist hij steevast het nieuws te halen met ophefmakende grappen en acties, meestal ten koste van Joden. Op het moment maakt Dieudonné furore met het nummer ‘Shoananas’, een samentrekking van Shoa – het Hebreeuwse woord voor Holocaust – en ananas.

Internationaal kreeg hij bekendheid toen de Franse voetballer Nicolas Anelka eind vorig jaar een doelpunt vierde met de door Dieudonné bedachte ‘quenelle’ – een gebaar dat algemeen als een omgekeerde nazigroet wordt gezien. Inmiddels hebben al acht Franse burgemeesters Dieudonné’s optredens verboden, tot verbijstering van zijn talrijke fans. Velen van hen demonstreerden luid tegen het monddood maken van hun held. Ze namen ananassen mee.

Vanuit Nederland gezien doen de gebeurtenissen rondom Dieudonné bijna surrealistisch aan. Wij kennen geen komiek of opiniemaker die zo hardnekkig en zo smakeloos grappen over Joden het publieke domein in blijft slingeren – met veel succes bovendien, want als Dieudonné’s shows niet worden verboden zitten de zalen stampvol, met mensen vanuit alle geledingen van de Franse samenleving.

Toch is het nog niet zo lang geleden dat ook een Nederlandse beroepsprovocateur de samenleving probeerde te ontregelen met harde grappen over Joden. In 1984 schreef de zevenentwintigjarige filmmaker Theo van Gogh het artikel Een Messias zonder kruis. Het was een schotschrift tegen de schrijver Leon de Winter, die een roman over de doorwerking van de Tweede Wereldoorlog had gepubliceerd en ter promotie van de verfilming van het boek in de talkshow van Sonja Barend te gast was geweest. De Winter maakte volgens hem reclame met de zes miljoen doden van de Holocaust. Sterker nog, Van Gogh vond dat de schrijver ‘de geur van de gaskamers gebruikte om zijn smakeloze product aan te prijzen’. ‘Wat ruikt het hier naar karamel?’ vervolgde hij, om zelf antwoord te geven: ‘Vandaag verbranden ze alleen suikerzieke Joden’. Er zouden nog vele columns en artikelen met grappen over Joden volgen.

De twee lijken op elkaar

In veel opzichten lijken Dieudonné en Theo van Gogh op elkaar. Ze schopten beiden zo hard mogelijk tegen het establishment (Dieudonné doet het nog steeds) en wat grofheid betreft doen hun Holocaustgrappen weinig voor elkaar onder. Stelde Van Gogh voor om een fotocollage te maken van een lachende Sonja Barend voor een kampbarak – ‘en morgen gezond weer op’ –, Dieudonné noemde de voormalige Frans-Joodse IMF-president eens treiterend Straussssssss Kahn. Subtiel is anders.

Een hele rij Franse en Nederlandse Joden is in de loop der tijd door Dieudonné en Van Gogh beledigd, maar de provocateurs hadden elk één favoriet doelwit. Voor Van Gogh was dat Leon de Winter, die hij onder anderen in een column een ‘Treblinka-liefdesspel’ liet bedrijven met een met ‘prikkeldraad omgeven snikkel’. Dieudonnés constante mikpunt van spot is de Franse societyfilosoof Bernard-Henri Lévy (‘BHL’), in wie Dieudonné de leider van de machtige Joodse lobby ziet. De komiek sneert voortdurend over het fortuin dat BHL’s familie in de bossen van Afrika heeft verdiend.

Voor hun botte grappen zijn zowel Dieudonné als Van Gogh vele malen voor de rechter gedaagd, met regelmatig boetes tot gevolg. De publiciteit die ze met de rechtszaken kregen kwam hun niet slecht uit. Op het moment dat ze begonnen met grappen over Joden bevonden hun carrières zich in het slop: naar Dieudonnés comedyshows kwam maar een handjevol mensen, Van Goghs films kregen aanvankelijk weinig aandacht. Paradoxaal genoeg veranderde dat vanaf het moment dat zij Joden gingen verwijten een slaatje uit hun oorlogsverleden te slaan en hun leed te commercialiseren. Hoe vaker beiden voor de rechter verschenen, des te populairder ze werden. De door Van Gogh graag gebezigde uitspraak ‘There’s no business like Shoah business’ sloeg eerder op henzelf.

Dieudonné en Van Gogh verweten Joden niet alleen commercialisering, maar ook monopolisering van het leed: door de aanhoudende aandacht die er is voor de Holocaust, is volgens hen weinig plaats meer voor het leed van andere groepen slachtoffers. Dieudonné noemde bijvoorbeeld de jaarlijkse activiteiten rond de Franse Bevrijdingsdag ‘herdenkingspornografie’, want over de slachtoffers van de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog hoorde je bijvoorbeeld nooit. De manier waarop Theo van Gogh de grootschalige jaarlijkse dodenherdenking op de Dam bekritiseerde, doet aan deze redenering denken. Waarom werden niet de doden van andere verdorven regimes op eenzelfde manier herdacht?

Ook belangrijke verschillen

Er zijn ook verschillen tussen de antisemitische grappen van de twee provocateurs. Van Gogh richtte zijn polemieken altijd op individuen, terwijl Dieudonné niet alleen persoonlijk, maar ook generaliserend te werk gaat: bij hem zijn vaak ‘de zionisten’ lijdend voorwerp, hij tiert aanhoudend over Israël en de ‘Amerikaans-zionistische as’, en hij denkt dat een grootschalige, Joodse lobby onder de oppervlakte de politiek in zijn land bepaalt.

Dieudonné doet zijn uitspraken bovendien in een ander politiek klimaat. Frankrijk kent al eeuwenlang een sterke traditie van antisemitisme. Zelfs de grote Franse Verlichtingsfilosoof Voltaire (1694-1778) noemde de Joden ‘de meest verachtelijke natie die ooit de aarde heeft besmeurd’. Aan het einde van de negentiende eeuw kwamen de antisemitische sentimenten tot uitbarsting in de Dreyfusaffaire, toen een Joodse officier ten onrechte van verraad werd beschuldigd. Het leidde tot een polarisatie die tot op de dag van vandaag voortduurt en in de Franse politieke traditie is verankerd. Vandaar ook dat Dieudonné de afgelopen jaren bijna automatisch in het extreem-rechtse kamp terechtkwam: niet voor niets is Jean-Marie Le Pen – de man die de gaskamers ‘een detail in de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog’ noemde – inmiddels de peetvader van zijn derde kind. En in 2008 lauwerde Dieudonné een notoire Franse Holocaustontkenner met een door hemzelf in het leven geroepen prijs. (Dieudonné liet de trofee uitreiken door zijn assistent Jacky, die was gekleed in een gestreept concentratiekampkostuum, compleet met gele ster.)

Ook in Nederland is antisemitisme aanwezig, met name onder allochtone jongeren. Maar in de politiek is er – behoudens een enkele uitzondering – bij zowel links als rechts weinig van te merken. Ook in de jaren tachtig en negentig, de jaren dat Van Gogh zijn grappen maakte, kwam uitgesproken antisemitisme in de politiek slechts voor bij neonazistische splintergroeperingen. Het is eenvoudigweg onmogelijk om de ‘Eeuwige Antisemiet’ (zoals Leon de Winter Van Gogh noemde) daarmee te associëren. Van Goghs Jodengrappen hadden niets met de politieke stand van zaken in Nederland te maken.

De stijl is extreem grof

Een laatste verschilpunt, ten slotte, is de stijl van de grappen van Dieudonné en Van Gogh. Zeker, die is in beide gevallen extreem grof. Maar Van Gogh maakte, veel meer dan Dieudonné, sick jokes. Dat was zijn doel ook: hij wilde ‘het onzegbare verwoorden’ en blootleggen op welke onderwerpen een taboe rust. Zijn grofheid was zó over de top kwetsend, dat hij zijn publiek in verwarring achterliet. De grappen van Dieudonné, daarentegen, zijn veel lomper. Zijn Shoananassen bevreemden minder dan Van Goghs prikkeldraadsnikkels. Er zitten minder dubbelzinnigheden achter, en dat is waarschijnlijk ook de reden waarom ze de latente antisemitische gevoelens van zulke grote groepen mensen aanwakkeren.

Dieudonnés grappen zijn niet zo sick als die van Van Gogh, maar juist daarom des te gevaarlijker.