Kunst met optimistisch schoonheidsverlangen

Foto Piet Gispen

Het eiland ligt er vol mee, de ruwe doornen waarmee Herman van Bergen een ondoordringbare muur bouwde. Groot en hoekig verrijst de vorm waarin de weerbarstige doornen gedwongen zijn. Geen eenvoudige klus.

De zaaltekst meldt dat Van Bergen dit jaar een doornenkathedraal wil bouwen. Daarmee zal Curaçao een bijzonder land art-werk rijker zijn, dat aansluit op de recycling die een rode draad is in meer Antilliaanse kunst.

Yubi Kirindongo bouwt sculpturen uit schroot dat hij vindt onder de rook van de olieraffinaderijen. De chromen bumpers verbuigt hij tot tropische vogels die ondanks hun lieflijkheid getuigen zijn van de vervuiling op het eiland. Kritisch en praktisch tegelijk.

Ze zijn te zien in Tropisch Koninkrijk, een extraverte tentoonstelling die laat zien dat er veel meer Antilliaanse kunstenaars zijn dan de veel aangehaalde David Bade.

Verdeeld over drie verdiepingen wordt het leven er gevierd in grote installaties van 37 kunstenaars. Ook van Bade, die een mooie installatie van schilderingen maakte waarin Calimero’s zich op brommers voorthaasten richting een kasteel vol glijbanen.

Ook elders wordt beeld op beeld gestapeld – kippen, bier, heiligenbeelden, wasteiltjes. Er zit geen rem op deze kunst. Daarin blijken helaas ook de gevaren van assimilatiekunst. Soms is de eigenheid moeilijk te vinden, zoals in de Picasso-achtige schilderingen van Ras Mosera. Of is het resultaat pathetisch zoals bij Glenda Heyligers installatie met te veel vrouwelijkheid en baarmoederkleuren.

Maar in het geheel is de tentoonstelling hartverwarmend, zonder pretenties, met een optimistisch schoonheidsverlangen dat zo anders is dan Europese kunst. Prachtig naïef zijn de zelfportretten van Winfred Dania, in een paradijselijke natuur waar de bomen zelfs nog in vrouwenlijven veranderen. Of de vissenschilderijen van Nochi Coffie, met niets te vergelijken. Al is de internationale kunstwereld onder handbereik, via academies en internet en het vliegtuig, houden deze eilanden duidelijk hun eigen culturen.

Zwaar filosofische kunst is het doorgaans niet. Het enige expliciet politieke werk – Wiels en Wilders als vechthaantjes in een ren, door Ruben la Cruz en Karolien Helweg – is skindeep. Maar wel grappig. En raak. Bovendien kunnen ook extraverte oppervlaktes veel vertellen. ‘Wij regeren’ stelt het koningspaar in de grimmige carnavalsfilm van Ryan Oduber, over een heerschappij vol schone schijn. Een prins en prinses carnaval, in veel plastic regalia, voeren rituelen uit. Hun campy hofhouding staat zo dicht op ze, dat de glitters en veren hun zuurstof bijna wegnemen.

Carnaval is een kritiek op macht in de echte wereld, helpt Oduber ons herinneren met dit onduidelijk gesitueerde koninkrijk – misschien wel een benauwde galerijflat. Ondanks de majesteitelijkheid laat hij de ondergang komen. De prinses sterft met een Hollywoodachtige elegantie – leven in stijl, sterven in stijl. Deze oppervlakkigheid is een noodzaak, een kwestie van identiteit, status, waarden, uiteindelijk zelfs van leven en dood.

In zo’n tentoonstelling valt David Bade niet eens meer op.