Karikaturale ‘Little voice’

De moeder, afkomstig uit de Noord-Engelse heffe des volks, heeft de moed al bijna opgegeven. Ze is „weggescheten uit de reet van het leven”, aldus de kleurrijke Rotterdamse vertaling die Jules Deelder van de komedie Little Voice maakte, en ziet geen toekomst meer. Tot haar dochter zo goed blijkt te kunnen zingen dat een sjofele scharrelaar haar gouden bergen belooft. Maar die dochter is te getraumatiseerd en te verlegen om artiest te worden. Zodat moeders laatste strohalm naar een beter leven verdwijnt.

Dat is de sociaal-realistische context waarmee schrijver Jim Cartwright dit stuk schrijnend wilde maken – dwars door de hardhandige grappen heen. Maar dat vergt wel een precieze balans tussen de lach en de traan.

In de regie van Bruun Kuijt is daarvan geen sprake. Alles is karikaturaal, van het poppenhuis-achtige decor tot en met de als Tokkies toegetakelde acteurs. De moeder (Ellen Pieters) is een sloerie en de dochter (Suzan Seegers) een spastisch schepseltje.

Alleen de versierder (Han Oldigs) laat bij vlagen nuance zien, maar ook bij hem is de door Cartwright bedoelde wanhoop ver te zoeken. Verder is hier alles lelijk. En ongeloofwaardig. Al ligt dat ook aan het stuk, dat bij dit weerzien – het dateert van 1992 – een uitgesproken gammele indruk maakt.

Henk van Gelder