Een van de vroegste biopics is nog steeds het bekijken waard

De eerste film over Richard Wagner stamt uit 1913, het jaar waarin de honderdste geboortedag van de Meister werd herdacht; de tijd van de stille film dus. Dat is minder idioot dan het lijkt, want stil was het natuurlijk niet in de bioscoop. Daar was meestal live muziek te horen: van eenzame pianist tot een heel symfonieorkest, al naar gelang de gelegenheid. Misschien is de stille film dus juist bij uitstek geschikt voor een film over de grote componist. Afgelopen weekend was Richard Wagner te zien in Filmmuseum Eye, in een door Eye zelf gerestaureerde, nieuwe versie. Voor wie dat gemist heeft: op YouTube is de film – vorig jaar uitgezonden door Arte – nog gemakkelijk te vinden. Dat is de moeite waard, want de film is opvallend geraffineerd gemaakt.

De Wagnerfilm is een van de eerste films op speelfilmlengte (80 minuten), en ook een van de vroegste biopics. Producent was de legendarische filmpionier Oskar Messter, regisseur Carl Fröhlich, die met de film de overstap maakte van cameraman naar regisseur. Componist Giuseppe Becce was een prominent filmcomponist, die later tekende voor klassiekers als Das Cabinet des Dr. Caligari (1920) en Der letzte Mann (1924).

Uniek: Becce is niet alleen de componist van de filmmuziek, hij speelt ook de hoofdrol. Dat was een gelegenheidsoplossing nadat de beoogde hoofdrolspeler op het laatste moment had afgezegd. Zijn gelijkenis met Wagner is treffend.

Maar waarom was er eigenlijk nieuwe filmmuziek nodig? Omdat de weduwe Cosima Wagner een ongekend bedrag eiste voor het recht om Wagners muziek te gebruiken – een half miljoen mark – waarna de producent er maar van afzag. In de eerste biopic van de grote man is dus geen noot van zijn muziek te horen. Zoals indertijd gebruikelijk verwerkte Becce bekende thema’s in zijn partituur: van Mozart, Haydn, Rossini, maar geen Wagner. In de restauratie klinkt desondanks een stukje Der fliegende Holländer, maar dat zal dan wel een latere toevoeging zijn.

Probleem met elke bewonderende biopic van Wagner, is dat hij niet direct van onbesproken gedrag was. Vrijwel zijn hele leven lang zat Wagner diep in de schulden, zijn anarchistisch-revolutionaire escapades lagen niet goed in het latere Duitse keizerrijk, zijn affaires met Mathilde Wesendonck, de muze van Tristan und Isolde, en later met Cosima, toen ze nog getrouwd was met zijn discipel Hans von Bülow, lenen zich niet direct soepel voor een heldenepos. De film veegt die gebeurtenissen dan ook onder tafel, of maakt ze een stuk onschuldiger. Dat viel te verwachten. Verrassender is dat de film nog steeds boeit: als Wagners helden Siegfried, Parsifal en Tristan tot leven komen, en de oude meester op zijn sterfbed omringen, is dat nog steeds indrukwekkend. Als er iets gedateerd is aan de film, zijn het niet de beelden, maar de tussentitels, die steeds braaf uitleggen wat de kijker in de volgende scène gaat zien.