De beurswolf is getemd

Boven de draaideuren van de Amsterdamse beurs hangt een neonbord. Cijfers rollen voorbij. 381,88, 62,19 en 45,22. Rode cijfers. De koers daalt. Achter deze draaideuren wordt gehandeld. Maar wat er precíés gebeurt? Ik ken de beurshandel vooral uit films, zoals The Wolf of Wall Street. Die succesfilm over de beurs is al door 445.000 Nederlanders bezocht. Daar zie je beurshandelaren met snelle praatjes, snelle pakken en snelle auto’s. Ze verdienen geld als water door aandelen te slijten, en geven dat geld net zo makkelijk weer uit. Gehaaide jongens.

Bestaan ze nog, dit soort beurswolven? Zijn er nog aandelenhandelaren die coke snuiven en in een Ferrari rijden? Ik besluit op zoek te gaan naar een Nederlandse wolf.

En waar begin je dan? Bij de draaideuren van Beursplein 5 in Amsterdam.

Mag ik naar binnen, vraag ik persvoorlichter Rineke Reitsma van Euronext (zo heet de beurs officieel). Nee, dat mag niet.

De voorlichtster wil niet dat de Amsterdamse beurs wordt vergeleken met The Wolf of Wall Street, waar toch een negatieve „associatie” aan kleeft. „Ik hoop dat je daar begrip voor hebt.”

Goed, dan maar een kijkje nemen bij een bedrijf dat zelf handelt in aandelen. Maar ook daar willen ze me niet ontvangen. Reden: er is „geen tijd” om mij rond te leiden. Een optiehuis zegt zelfs onomwonden: „We werken alleen mee aan zo’n artikel als we daarmee nieuw personeel kunnen werven.”

De beursdeuren blijven dicht. Zouden de handelaren iets te verbergen hebben?

39 stille mannen voor hun scherm

Ik besluit mee te gaan met een toeristische rondleiding over de Amsterdamse beurs. Voor 7,50 euro mag je er even kijken, onder begeleiding van een gids: een voormalig economiestudent die in een ouderwets beurspakje zijn publiek door de gangen van het beursgebouw leidt.

We komen uit bij twee grote deuren. „Dit is het dan”, zegt de gids. „De beursvloer.”

Ik kijk verbaasd naar de ruimte voor mij. In een enorme hal zitten 39 mannen doodstil voor hun computerschermen. Ze dragen spijkerbroeken en blousejes. Ik zie zelfs iemand in een groene Adidas-trui.

Niemand die belt of schreeuwt. Er klinkt alleen zacht geroezemoes. Een jonge man kluift aan een kartonnen koffiebekertje terwijl hij tuurt naar de grafieken op de acht schermen voor hem. Hij lijkt niet echt iets uit te voeren. Het blijft bij turen.

„Is dít de beurs?” vraag ik.

„Eh...”, stamelt de gids. „De hectiek is een beetje weg, als je dat bedoelt.” Ik meen een beschaamde blik op zijn gezicht te onderscheiden.

Het was niet helemaal wat ik had verwacht. Wie zíjn deze 39 stille mannen?

Het heeft allemaal te maken met de intrede van de computer op de beurs in 2002, vertelt de gids. Vanaf dat moment ging het gros van de aandelentransacties automatisch. Handelaren op de beursvloer werden min of meer overbodig, net als de functie van de hoekmannen, die voorheen de orders verzamelden.

De mensen die er nu zitten, zijn voornamelijk nerds. Econometristen, technisch natuurkundigen. Jongens die kunnen rekenen.

Hier ga ik geen wolven vinden, besef ik. Zij rijden geen Ferrari.

Werden er wel eens hoeren besteld?

Ik besluit Florian van Laar (51) op te zoeken, een gevierde beursjongen. Hij reed wél in een dure auto. Een witte Lamborghini Countach, precies dezelfde als in The Wolf of Wall Street. Volgens Van Laar geeft de film een „redelijk waarheidsgetrouw” beeld van hoe de beurshandel vroeger was. Op Wall Street werkte Van Laar bij een van de grootste brokers ter wereld en werd hij „enorm in de watten gelegd”. Evenals in Nederland, waar hij tot 2005 mede-eigenaar was van een Nederlands effectenkantoor.

Van Laar vertelt hoe gebruikelijk het was voor sommige effectenkantoren om hun grote, buitenlandse klanten eens per jaar naar Amsterdam te laten overkomen.

Voor de klanten werden vliegtickets gekocht, kamers in het Hilton geboekt, zeilboten afgehuurd. De beurshandelaren verbleven ’s nachts in de duurste clubs en onderdrukten de slaap „met behulp van versterkende middelen”. Zondagmiddag vloog iedereen weer terug. „De traditie was dat alle klanten de maandag erop maximale orders uitzetten”, zegt Van Laar. „Dan had je dat weekend twintigvoudig terugverdiend.”

Werden er weleens hoeren besteld, vraag ik, net zoals in The Wolf of Wall Street?

Van Laar: „Wat bedoel je precies met hoeren?”

Ik: „Gewoon, prostituees. Met wie je vreemdgaat.”

Van Laar: „Uh, nou, ik hoop dat al mijn collega’s nog gelukkig getrouwd zijn, dus in het belang daarvan herinner ik me dat niet zo meer.”

Zo mateloos als in Londen en New York was het in Amsterdam ook niet. Vooral de concurrentie was minder hard. Amsterdamse handelaren dronken na het werk gewoon een biertje met elkaar, in de Pilserij. In het weekend speelden ze samen voetbal, voor VV de Beursbengels. Een vereniging waar je alleen lid van kon worden als je op de effecten- of optiebeurs werkte.

Van de beursfeestjes is weinig over

Hoe ruig is het nú op de beursvloer? Dat weet Van Laar niet, hij is uit het wereldje. Twee werknemers die nu nog actief zijn op de beurs, willen het me anoniem wel vertellen. Eén is nu risicobeheerder (‘riskmanager’, heet dat op de beurs) bij een middelgrote belegger, de ander handelaar (‘trader’) bij een grote financiële instelling.

Het leven van een beurswolf is sinds de intrede van de computer een stuk moeilijker geworden, zeggen beiden. „De AFM kijkt mee over je schouder”, zegt de riskmanager. Hij bedoelt dat de Autoriteit Financiële Markten alle aandelentransacties kan volgen, en dat sjoemelen dus vrijwel onmogelijk is geworden.

Ieder telefoongesprek over beursorders wordt opgenomen. Handelaren die aandelen willen kopen, moeten daarvoor toestemming hebben. En het fêteren van klanten is ook aan banden gelegd – anders zouden die klanten niet meer onafhankelijk kunnen kiezen met welke partij zij zaken doen.

Dat wil niet zeggen dat het niet meer gebeurt. „Sommige klanten vinden het prima als je ze mee uit eten neemt”, zegt de trader. „Ga je dan naar de Febo? Natuurlijk niet. Dan neem je hem mee naar Okura [een exclusief hotel in Amsterdam]. En neem je dan een gewone biefstuk? Natuurlijk niet. Je neemt een Wagyu-biefstuk, 80 euro per twee ons.” In dezelfde categorie: sommige handelaren nemen hun klanten weleens mee naar een sportwedstrijd. Ook handig voor de ‘klantenbinding’.

Van de feesten op de beurs is weinig meer over, zeggen de twee insiders. Dit is vooral een gevolg van de economische crisis. Vóór de crisis ging de riskmanager nog drie avonden per week drinken met zijn collega’s. „Dat werd zelfs aangemoedigd vanuit het werk.” Op kosten van het bedrijf werden honderden euro’s op een avond weggezopen. Nu zou dat zeker niet meer kunnen. Men is „serieuzer” geworden. Er komen geen muziekbands meer op kantoor.

Iedereen is ook minder gaan verdienen. In de topjaren kon een goede handelaar wel achttien jaarsalarissen aan bonus meekrijgen. Nu zijn dat hooguit een paar jaarsalarissen.

Geen grote wolven, wel wolfjes

Lopen er, ondanks alle nieuwe regelgeving, nog wel wolven rond op de Nederlandse beurs? „Geen grote wolven”, zegt de trader. „Wel kleine wolfjes, die de boel lopen te manipuleren.”

Uit cijfers van de AMF blijkt dat er in 2012 in totaal 29 onderzoeken zijn gedaan naar mogelijk marktmisbruik. Er zijn onder andere boetes opgelegd voor informatiemanipulatie en het delen van voorkennis. Daarnaast kwamen er in 2013 zestig meldingen binnen van ‘boiler rooms’. Dit is een praktijk waarbij mensen nepaandelen krijgen aangesmeerd. Deze fraude werd ook in The Wolf of Wall Street toegepast. Boiler rooms zijn nog steeds een „hardnekkig fenomeen” in Nederland.

Maar verder heeft de film „weinig te maken met de beurs hier”, laat de woordvoerder van de AFM weten. „Natuurlijk komt fraude voor, maar het is absoluut geen schering en inslag.”

De trader denkt dat de AFM gelijk heeft. „Je ziet geen cowboys meer”, zegt hij. „De beurs zit nu vol met gestudeerden.”

Ze voetballen ook niet meer bij VV de Beursbengels. Volgens de voorzitter van de club is het „contact” met de medewerkers van de beurs „verwaterd”. Het is nu een ‘gewone’ amateurvereniging geworden.

Voormalig effectenmakelaar Florian van Laar vindt het jammer. „De charme van de beursvloer is weg”, vindt hij. „Iedereen die daar op maandagochtend met een stropdas om zijn hoofd binnenkwam, is verdwenen. Die moesten achter de computer gaan zitten. Maar deze mensen laten zich letterlijk niet in een hokje plaatsen.”

De uniformen die ze droegen, met namen erop van hun bank of bedrijf, hangen nu in vitrines aan de muur boven de hoge beurshal. Als herinnering.