Boeren schoffelen voort in de asregen

De hulpverlening aan de voet van de uitgebarsten Sinabung-vulkaan op het Indonesische eiland Sumatra verloopt chaotisch.

Een dorp is voor een Sumatraan meer dan een thuis. De graven net voorbij de laatste huizen staan voor het verleden. De oogst op de velden is de toekomst. De honden die er rondlopen zijn trouwe bewakers, en als ze zes maanden oud zijn een lekkere delicatesse. Het dorp is alles. Dus kan zelfs de lava en as spuwende Sinabung de bewoners niet verdrijven uit Kuta Raya, op de flank van de vulkaan. Als de boerenfamilies denken dat het veilig is, verlaten ze de opvangkampen in het dal en beklimmen de berg.

Met stokken beitelen ze de aangekoekte vulkaanmodder van hun daken. Met een bijl bevrijden ze een brommer onder het puin van een ingestorte schuur. Met een schoffel wroeten ze in hun akkers om te constateren dat de kool, tomaten, koffiebonen en sinaasappelen verloren zijn. Boer Freanus schuift zijn mondkapje opzij en steekt een sigaret op. „Ik ben alles kwijt. Mijn huis en mijn gewassen. Ik denk dat ik vijftig miljoen roepia [3.000 euro] kwijt ben”, zegt hij. „Verzekering? Heb ik niet. Het provinciebestuur zegt een potje te hebben. Maar dat zal wel bij woorden blijven.”

Zo keren iedere dag bewoners van de vluchtelingenkampen terug naar hun huis om te treuren en tegen beter weten in de boel schoon te houden. Portiekjes die ’s ochtends schoon worden geveegd, liggen een paar uur later onder een duimdikke laag as. Afgelopen weekend ging het mis. Toen stierven 16 mensen op Sinabung. Tijdens een van de dagelijkse uitbarstingen werden zij getroffen door een aswolk van duizend graden Celsius die met een razende vaart naar beneden stortte.

Voor degene die twee weken geleden een kijkje op de flanken van de vulkaan nam, is het trieste ongeluk nauwelijks een verrassing. Het was een kwestie van tijd voordat het mis zou gaan.

De laarzen van Rochmali zijn zwarter dan vulkaansteen. Ze glimmen en er zit geen spatje as op. Hij is zenuwachtig. Over twee dagen komt president Susilo Bambang Yudhoyono op bezoek en hij is als bevelhebber van de Indonesische rampenbestrijdingsdienst op Sumatra verantwoordelijk dat het bezoek gesmeerd loopt. Maar de vulkaan zelf imponeert hem allerminst. „Ach. Dit is helemaal geen grote jongen. Wij hebben de boel perfect onder controle”, zegt Rochmali. Een echte ramp? De aardbeving op Haïti waar hij doden hielp bergen. Of Fukushima.

De gelaten reactie van de autoriteiten bij natuurgeweld is een terugkerend fenomeen. Of het een vulkaanuitbarsting in het noorden van Sumatra of overstromingen in miljoenenstad Jakarta is, maakt dan weinig uit. Iedere keer weer wordt er laat en weinig daadkrachtig gereageerd. Als gevolg sterven in Indonesië haast wekelijks tientallen mensen bij natuurrampen.

Regelmatig wijzen deskundigen op de ongunstige ligging. Indonesië ligt aan de ‘Ring van Vuur’ en telt ongeveer 130 actieve vulkanen. De tektonische platen rommelen regelmatig diep onder Indonesië. Bovendien, ligt het land in de tropen waar de seizoensregens genadeloos zijn. Maar steeds weer gaat het bij natuurgeweld mis.

Ook bij de Sinabung-vulkaan werden de veiligheidsmaatregelen nauwelijks nageleefd. „We hebben 30.000 bewoners geëvacueerd naar ruim veertig opvangkampen. Een gebied met een omtrek van 15 kilometer rondom de krater is verboden terrein”, zegt Rochmali. Boven de weg waarschuwt een spandoek voor hete as en koude lava. Maar er staat geen politieagent of militair te posten. Scooters met boeren, busjes met gezinnen en vrachtwagens rijden ongemoeid richting Sinabung.

In de opvangkampen slapen de ontheemden met honderden tegelijk in vervallen klaslokalen. Ziektes gaan rond. Sommige kampen hebben slechts twee wc’s. Kinderen gaan al maanden niet naar school omdat de ouders het lesgeld niet meer kunnen betalen. Oude vrouwen weven mandjes van riet om nog een beetje geld te verdienen. Als de staat niet voor je zorgt, moet je creatief zijn.

De steun die de ontheemden wel krijgen is alles behalve barmhartig. Op de binnenplaats van een van de scholen die dienst doen als noodlocatie vormt zich een rij. Een voor een mogen de bewoners het podium betreden om een voedselpakket en een briefje van 100.000 roepia in ontvangst te nemen. Ze moeten een lijst tekenen en krijgen een preek van een man met een megafoon. Dit is een gift van de provincie, wees er dankbaar voor.

In april gaat Indonesië naar de stembus en politici doen er alles aan te etaleren dat zij mannen en vrouwen van het volk zijn. In een van de weinige kampen waar wel een lange rij toiletten en wasbakken opgesteld staat, hangt een spandoek met de tekst: „Deze toiletten zijn gedoneerd door Halpian S. Meliala, kandidaat voor het parlement namens de Strijdende Indonesische Democratische Partij”. Mooi toch, zegt een man die uit een van de wc's komt. „Wij hebben schone voeten en tenen dankzij Megawati Soekarnoputri”, zegt hij, verwijzend naar de leider van de Strijdende Indonesische Democratische Partij.

De bewoners willen het liefst voorgoed naar huis, maar de kans is groot dat Sinabung nog maanden of zelfs jaren rommelt. De regering heeft gezegd de bewoners permanent te willen onderbrengen in dorpen verder weg van de vulkaan. Cru is het wel. In dit hoogland in het noorden van Sumatra domineren twee vulkanen het landschap. Om Sibayak maakte iedereen zich al jaren zorgen. Die vulkaan rommelde. Maar Sinabung was al eeuwen stil, tot eind vorig jaar. Nu barst Sinabung meerdere malen per dag uit. Zelfs op vijf kilometer van de krater slaan de aswolken op je longen en prikken in je ogen. De flanken van Sinabung zijn onbewoonbaar geworden.

Maar er is weinig vertrouwen dat er ook daadwerkelijk geld wordt vrijgemaakt voor een verhuizing. Heni Sitepu werkte voor de uitbarsting van Sinabung op het land. Nu kookt ze samen met de andere vrouwen enorme maaltijden voor het kamp. In pannen zo groot als badkuipen koken ze pompoen. „Het moeilijkste moet nog komen”, zegt ze. Met haar gerimpelde vingers veegt ze een traan van haar wang. „Straks moeten wij onze huizen herstellen en ons land opnieuw bezaaien. Dan hebben wij aandacht nodig, maar ik ben zo bang dat iedereen ons dan alweer vergeten is.”