Zij zijn Dinka’s, zij zijn Nuers. Dus doden ze elkaar

Zuid-Soedan telt één geasfalteerde autoweg. Die verbindt Nimule, op de grens met Oeganda, met de hoofdstad Juba, tweehonderd kilometer noordelijker. Overal liggen wrakken van over de kop geslagen bussen, in elkaar gedrukte personenauto’s en omgeslagen vrachtwagens.

Het drie jaar geleden onafhankelijk geworden land, zo groot als Frankrijk, kende tot voor kort geen enkele verharde weg. „We zijn niet gewend aan asfalt. We rijden te roekeloos”, zegt Richard, de chauffeur. „Op de paadjes in de bush voelen we ons veiliger.”

Het busje waar we in zitten is volgeladen met Dinka’s. Afgelopen december ontaardde een machtsstrijd binnen de regeringspartij SPLM tussen president Salva Kiir, een Dinka, en zijn voormalige vicepresident Riëk Machar, een Nuer, in een burgeroorlog. Wraakgevoelens tussen de Dinka’s en de Nuer, de twee grootste stammen, hebben de vrije loop gekregen. Vermoedelijk zijn er al meer dan 10.000 doden gevallen. Meer dan 700.000 mensen zijn van huis en haard verdreven.

Net als de inzittenden van ons busje zijn veel Dinka’s gevlucht uit de stad Bor, tweehonderd kilometer ten noorden van Juba. Bij de gevechten is de stad de afgelopen weken met de grond gelijk gemaakt.

„Het leven was goed toen de onafhankelijkheid kwam”, vertelt James Kuol, een van de passagiers in het busje. Hij is gevlucht naar Nimule. „Ik had een vrouw en een paar geiten en schapen. De oude wonden van het conflict met de Nuer waren geheeld.”

De geschiedenis herhaalt zich steeds

James Kuol doelt op het geweld in 1991. Ook toen vond een drama plaats in Bor. De SPLM (die toen nog een verzetsbeweging was) was net als nu uiteengevallen. Met stilzwijgende instemming van Riëk Machar vielen Nuers Bor aan. Ook toen werd de stad in de as gelegd en werden honderden Dinka’s gedood.

De duizenden Dinka’s die nu naar Nimule zijn ontkomen, hebben het vege lijf kunnen redden. Veel anderen niet. James Kuol vertelt hoe een maand geleden Nuers zijn huis aanvielen, zij de graanopslagplaats verbrandden en zijn broer en twee kinderen vermoordden. „De vicegouverneur had mijn broer en andere oude wijzen uitgenodigd om de stammentwist te voorkomen. Ze liepen in een val: Nuers doodden alle aanwezigen.”

Plotseling beginnen kinderen vanachter bomen stenen naar het busje te gooien. „Donder op, vreemdelingen!”, schreeuwen ze. Vreemd is die opmerking niet. Zuid-Soedan kent geen nationale identiteit. Het is een land vol wantrouwen, waar politici aanhangers aanzetten tot massamoord. „Ik voel me stateloos”, verzucht James. „Tijdens de onafhankelijkheidsoorlog tegen de Arabieren in Soedan hadden we tenminste een gemeenschappelijke vijand.”

We rijden Nimule uit, richting Juba. Door de kurkdroge boomsavanne beneden ons kronkelt de Nijl. De weg stijgt naar de heuvel waar rond 1870 de Britse gouverneur Charles Gordon zijn tentenkamp opzette. Gordon bestreed de Arabische slavenhandel.

De jacht op slaven in Zuid-Soedan leidde tot chaos: er braken oorlogen tussen en binnen stammen uit. Na de slavenhandel volgde het Arabische kolonialisme, waartegen Zuid-Soedanezen zich sinds 1955 in twee uiterst bloedige oorlogen hebben verzet.

Even verderop steken we een zijrivier over van de Nijl. Dit is een heroïsche plek voor Zuid-Soedan. Hier hielden in 1994 de strijders van de SPLM maandenlang dapper stand tegen het oprukkende Soedanese regeringsleger. President Yoweri Museveni van buurland Oeganda reikte toen de reddende hand: met massale wapenleveranties aan de SPLM.

Ook in dit opzicht herhaalt de geschiedenis zich. Opnieuw bemoeit Oeganda zich met het conflict.

In de bosjes langs de weg verschuilen zich Oegandese soldaten. Direct na het uitbreken van de gewelddadigheden, op 15 december, zond president Museveni duizenden soldaten en zwaar materieel om zijn bondgenoot Salva Kiir te helpen. Oegandese gevechtshelikopters maaiden honderden aanhangers van de opstandige Riëk Machar neer bij Bor en bij de belangrijke steden Bentiu en Malakal.

Bij het dorp Magwi haalt chauffeur Richard in bij een scherpe bocht. Ons busje botst bijna op een tegenligger. In dit gebied bestreden SPLM-facties elkaar in 1992 op leven en dood. Drie hulpverleners en een journalist werden hier gedood. Een van hen werd standrechtelijk geëxecuteerd. De Verenigde Naties zetten uit protest hun voedselhulp tijdelijk stil.

Want onze ziel staat in oorlogstand

Naast wantrouwen en moord loopt ook straffeloosheid als een rode draad door de recente geschiedenis van Zuid-Soedan. Tussen 1983 en 2005 verloren naar schatting 2 miljoen mensen het leven. De meeste doden viel niet in de onafhankelijkheidsoorlog tegen het noorden, maar bij de onderlinge strijd binnen de SPLM.

Eerder vorig jaar, nog voordat het huidige conflict losbrandde, voerde het Zuid-Soedanese regeringsleger slag met een militie van de stam de Murle, nomadische veehouders in de deelstaat Jonglei. De soldaten doodden hun vrouwen en kinderen, ze vernietigden hun ziekenhuizen en scholen. Een regeringsmilitair vertelde me toen: „Onze ziel staat nog in oorlogstand. We waarderen het leven niet meer. We slaan er direct op los.”

In ons busje zit ook Arjan Hehenkamp, directeur van Artsen zonder Grenzen (AzG). „De VN en de hulporganisaties zijn opnieuw de kop van Jut”, zegt hij. „Beide zijden in het conflict proberen de hulp te monopoliseren.”

Kantoren en onderkomens van AzG in Bentiu en Malakal werden de afgelopen weken kaalgeplukt. Het Wereldvoedselprogramma van de VN moest toezien hoe zijn voorraadschuren werden leeggeroofd. „Ik ken geen land waar we zo vaak zijn geplunderd als Zuid-Soedan”, verzucht Hehenkamp. „Met de plundertochten probeert iedere gevechtsgroep de zuurstof te ontnemen van de ander.”

We naderen de hoofdstad Juba. Zuid-Soedan begon zijn onafhankelijkheid zonder ervaring met democratie en zonder een traditie van tolerantie. De grootste verandering maakte Juba door: van een stoffig dorp van enkele duizenden inwoners in 1980 groeide het uit tot een boomtown met een half miljoen zielen nu.

Tot aan de eens verafgelegen Berg van de Heksen zijn gebouwen verrezen. Vooral buitenlanders hebben bijgedragen aan de groei. Ze kunnen hier snel rijk worden, als ze ministers bereid vinden mee te werken. Zelf laten die ministers van die smeergelden villa’s neerzetten in Kenia, Oeganda en Australië. Onder het bestuur van president Kiir is zo’n vier miljard dollar aan staatsinkomsten verdwenen.

En onze leiders? Derderangs generaals

„Een strompelende staat”, noemde het hoofd van een VN-organisatie Zuid-Soedan vlak voor de onafhankelijkheid. „De ministers hebben geleerd een begroting op te stellen, maar met het geld kunnen ze niet omgaan. Het land wordt geleid door derderangs generaals uit de guerrillatijd.”

De sombere voorspellingen zijn uitgekomen. Donorlanden bedolven Zuid-Soedan de afgelopen jaren met miljarden dollars aan hulp. Andere miljarden kwamen uit de oliewinning. Intussen volgde het ene corruptieschandaal op het andere. De strompelende staat werd een falende staat.

In Juba zet Richard mij af bij Peter Adwok Nyaba. Hij was minister, tot Salva Kiir hem een half jaar geleden ontsloeg, samen met Riëk Machar. Vorige maand zette de president hem gevangen.

In het verleden bekritiseerde Peter Adwok het militarisme binnen de SPLM. Twee keer werd hij daarvoor gevangengezet in diepe kuilen. „Dit keer sta ik onder huisarrest”, zegt hij laconiek, „dat is een hele verbetering”.

Het conflict kwam voor hem niet als een verrassing. „De SPLM heeft in de bush geen goede leiders opgeleid. Daarvoor worden we nu gestraft”. Hij legt de schuld voor het huidige geweld bij Salva Kiir. Volgens hem wilde de president Riëk Machar vermoorden. „Hij vormde zijn eigen tribale militie, net zoals Riëk Machar zijn Witte Leger heeft. Beide groepen bestaan uit het schorem van de bush, uit veedieven en andere jonge criminelen. Al het vuil van de SPLM is naar buiten gekomen.”

„Dit land is te vroeg onafhankelijk geworden”, zegt Peter Adwok dan. „Wij SPLM-leiders dragen de verantwoordelijkheid voor de mislukking. Laten de VN Zuid-Soedan onder voogdijschap plaatsen. Dan kunnen we weer helemaal opnieuw beginnen.”