Intens en boeiend nieuw werk De Leeuw en Boogman

Voor het grote publiek is Reinbert de Leeuw de pianist van Satie, de dirigent die zich ontfermt over het repertoire van de twintigste eeuw. Zijn carrière als uitvoerend musicus overschaduwt zijn loopbaan als componist. Weinig grote stukken maakte hij; zijn laatste orkestwerk dateerde zelfs uit 1973.

De opwinding was dan ook groot toen bekend werd dat De Leeuw, pas 75 geworden, aan een nieuw orkeststuk werkte: Der nächtliche Wanderer, naar het gelijknamige gedicht van Friedrich Hölderlin. In de ZaterdagMatinee in het Amsterdamse Concertgebouw werd het uitgevoerd door het Radio Filharmonisch Orkest – onder leiding van de componist zelf.

Het is een ambitieus stuk dat al vervreemdt vanaf de eerste maten, als een soundscape klinkt met hondengeblaf. Vervolgens wordt de toon gezet door een donkere altvioolsolo over klokklanken. Het spannende begin verglijdt langzaamaan in hysterie met veel gewelddadige percussie. De componist wil in drie kwartier erg veel vertellen, toch is zijn Der nächtliche Wanderer zeer overtuigend. De Leeuw heeft een intens, boeiend stuk gemaakt, met vele lagen die om herbeluistering smeken.

Ook zeer de moeite waard was de wereldpremière Raving van Willem Boogman (1955), die voor de pauze klonk. Waar De Leeuw gangbare technieken hanteerde, bracht Boogman een housebeat met jaren-tachtig-slapbass binnen. De doffe klappen klonken wonderwel in de Grote Zaal.

Stravinsky’s Monumentum pro Gesualdo klonk eveneens uitstekend. De Leeuw benaderde de neorenaissancemuziek alsof het daadwerkelijk oude muziek is en liet de kleine strijkersgroep ademen als een gambaconsort.