Een dubbel debacle in de zaak van de Arnhemse villamoord

Bij lange autoritten mag ik graag de collegereeks ‘Psychologie in de rechtszaal’ (zeven cd’s) van wijlen W.A. Wagenaar (1941-2011) afluisteren. En niet alleen omdat het boeiende informatie blijft. Maar ook door Wagenaars’ licht ironische voordracht, timing en vooral permanente verbazing c.q. nauw verholen ergernis over de eigen wijsheid van de juridische wereld.

Het is de permanente confrontatie tussen de wetenschap, waar waarheid betwistbaar is, en het strafrecht dat geen andere uitkomst kent dan zwart of wit. Als de rechter de ‘overtuiging’ heeft dat de dader het gedaan heeft, dan is dát dus de waarheid. Daar steekt Wagenaar de draak mee. En hij stelt misstanden aan de kaak: de slordigheid van de politie bij fotoherkenning bijvoorbeeld. En verder is het een lang en overtuigend pleidooi om meer kennis over het geheugen, herkenning, vrije wil etc. in het strafproces toe te laten.

Voor wie pubers in de auto heeft, kan ik de cd met ‘versierdelicten’ en ‘ongelukkige vrijages’ aanbevelen. Daarin wordt het fenomeen toestemming ontleed, zowel psychologisch als juridisch. Mijn favoriet in het college over de selectieve werking van het geheugen is het experiment waarbij studenten herinneringen opgedrongen krijgen die ze voor echt houden. Bij deze proef worden in het geheim gemanipuleerde foto’s in familiealbums geplaatst van een gefingeerd ballontochtje.

Die fotoalbums zijn aanleiding voor een gesprek met een onderzoeker over hun jeugd. Alle studenten zien de ballonfoto’s voor het eerst maar een aantal ‘herinnert’ zich het uitstapje zonder twijfel als authentieke belevenis. Wie wel aarzelt, wordt aangemoedigd er nog eens ‘over na te denken’. Daarna geeft een flink aantal proefpersonen alsnog het ballontochtje een plaats in zijn of haar jeugd. Het geheugen als kaartenbak, die voortdurend wordt ververst, aangevuld en geretoucheerd. Je denkt dat je geheugen een harde schijf is, het blijkt een levende roman. De serie is nog te koop, voor maar 15 euro.

Ik moest aan Wagenaar denken bij het verschijnen van het boek De Arnhemse villamoord dat maar een paar dagen in de handel is geweest. Het is een product van ‘zijn’ Maastrichtse school, een onderzoek van het project ‘Gerede Twijfel’, waar afgesloten strafzaken worden onderzocht op gerechtelijke dwalingen. Het laatste succes was het onderzoek ‘De dood in het Chinese restaurant’ uit 2008, ook wel bekend als ‘de zes van Breda’. Daarin gelastte de Hoge Raad vorig jaar herziening. De onderzoeksgroep maakte in 2003 naam door de veroordeling in de Schiedammer Parkmoord aan het wankelen te brengen.

De ‘Arnhemse villamoord’ werd deze week echter een debacle. Niet omdat de hoofdstelling van het boek ter discussie kwam. Het boek stelt dat er negen mannen zijn veroordeeld op basis van twee valse bekentenissen, uitgelokt door de recherche. Maar omdat de onderzoekers, onder leiding van universitair docent Han Israëls, er op eigen gezag een alternatief daderscenario bij schreven, zónder wederhoor. Wat pijnlijk was omdat het tweede slachtoffer en de enige getuige van de roofoverval nu verdacht werd gemaakt. Dit laatste hoofdstuk werd ook niet voorgelegd aan de leider van het project, rechtspsycholoog Peter van Koppen. Hij liet het boek snel uit de handel nemen, met een nijdige verklaring over Israëls, die „geheel zijn eigen gang” gaat door een „bijzonder speculatief” hoofdstuk aan het boek toe te voegen, met opzet buiten de direct betrokkenen om. Meer dan pijnlijk.

De verhoudingen zijn bedorven. Kennelijk moet nu eerst het boek herzien worden en daarna pas de strafzaak. De studenten die de honderden uren videoverhoor analyseerden, zijn gedupeerd en het project Gerede Twijfel is beschadigd. Wat valt er nog te redden uit deze puinhoop? Hun centrale conclusie is dat niemand van het groepje veroordeelden, bekenden van de politie uit het Arnhemse harddrugwereldje, iets met de moord/roofoverval te maken heeft gehad. De hele zaak rust op verklaringen, van getuigen of verdachten. Fysiek of technisch bewijs was er nauwelijks. Twee verdachten wilden met de aan hen opgedrongen bekentenissen hun ‘aandeel’ zo klein mogelijk voorstellen. Zij waren door de recherche in de waan gebracht dat hun medeverdachten hen de moord in de schoenen schoven. Onder zware druk waren ze in een collectieve veroordeling gaan geloven. Beide verdachten werden in de verhoren met daderinformatie gevoed en precies gestuurd in de richting van het politiescenario. In urenlange, vermoeiende sessies werden ze gecoached, gesouffleerd, gemasseerd en geïntimideerd, net zolang totdat de politie het gewenste scenario kon optikken. Waar de politie overigens zelf in was gaan geloven, ondanks de waarneembaar grote moeite die het kostte om het tweetal de juiste details te laten vertellen. Of de woning een puntdak of een plat dak had, de tuin zichtbaar was of niet, of de auto blauw was, een Ford, Golf of Mitsubishi en met hoeveel inzittenden. Het boek laat minutieus zien dat de twee ‘daders’ op de gok een mondeling multiple choice tentamen deden, met eindeloze herkansingen.

De echte afknapper zit dan ook in het contrast tussen het stamprocesverbaal, het hart van het strafdossier dat het onderzoek samenvat en leest als een lopend verhaal met een dwingende logica. En de honderden uren verhoor die eraan voorafgingen. De verontrustende conclusie is dat advocaat, rechter noch officier twijfels had kunnen krijgen aan het schuldigscenario van de politie. Zónder analyse van de urenlange videoverhoren, waar niemand tijd voor heeft. Deze daders zijn, huiselijk gezegd, in het pak genaaid door de politie, die de verdachten bekwaam tegen elkaar uitspeelde.