Depressie? Zeg dan niet: ‘Kom op joh!’

Psychische aandoeningen zijn geen gebrek aan karakter. Ze komen vaak voort uit fysische processen. En ze zijn goed te behandelen. Dan moet er voor die behandelingen wel geld zijn, vindt Esther van Fenema.

Foto Thinkstock

Als psychiater verbaas ik mij regelmatig over het gebrek aan kennis over het brein. Anno 2014 is het brein voor velen nog een magische zwarte doos. Deze stagnerende visie wekt niet alleen verbazing, maar heeft ook concrete negatieve gevolgen voor mensen die lijden aan psychische aandoeningen.

Zo stuiten zij op onbegrip, dat weer kan leiden tot eenzaamheid. Mensen met een depressieve stoornis krijgen regelmatig misplaatste adviezen als „kop op joh” en „het glas is toch halfvol in plaats van half leeg”. Want psychiatrische stoornissen zijn toch vaak een gebrek aan karakter of een vorm van aandacht trekken – tenminste, dat denken de meeste mensen.

Inmiddels is het ruimschoots wetenschappelijk aangetoond dat het brein geen magische zwarte doos is, maar dat alle mentale processen worden veroorzaakt door hersenactiviteit. Dat geldt ook voor complexe zaken als liefde, geloven en de notie van vrije wil.

Waarom blijft het dan toch een magische zwarte doos? Dat heeft niet uitsluitend te maken met gebrek aan kennis, maar ook met de weerstand om te accepteren dat gedachten, gevoelens en gedrag het resultaat zijn van fysische processen. Dit wordt vaak, overigens ten onrechte, gezien als een vereenvoudiging of reductie van de werkelijkheid.

We hebben als mens de neiging om zaken die we niet begrijpen of die mateloos complex zijn, te ontkennen of af te doen als bovennatuurlijk. Dit geldt niet alleen voor het brein, maar bijvoorbeeld ook voor kwantumfysica, een dankbaar onderwerp voor bovennatuurlijke thrillseekers.

Ook filosoof Daniel C. Dennett concludeerde al dat mensen graag vasthouden aan de religieuze overtuiging dat ‘de geest’ niet meetbaar zou zijn.

Het idee dat ons brein een mechanisme is, vinden velen ronduit onacceptabel. Liever houden we vast aan het idee dat het niet onze hersenen zijn die denken, rekenen of dingen onthouden, maar dat we dat ‘zelf’ zijn. Houden we hieraan vast, dan zijn we verantwoordelijk voor de gevolgen en kunnen we de schijn van vrije wil ophouden.

Helaas voor velen is deze hypothese nooit bevestigd. De beleving van autonomie is echter wel een mooi voorbeeld van hersenactiviteit, evenals experimenten die religieuze belevingen kunnen oproepen in de temporale kwab van de hersenen.

Ook de angst dat door meer kennis en begrip de kwaliteit van ervaringen verloren gaat, bijvoorbeeld bij verliefdheid, kan een rol spelen in de weerstand om het brein te begrijpen. Die angst is overigens ongegrond: de regenboog werd heus niet minder mooi toen Newton aantoonde dat de verschillende kleuren ontstonden door het prisma-effect.

Terug naar het voorbeeld van een depressie. Net als bij suikerziekte is er bij depressie onder meer sprake van een ontregeling in de stofwisseling – maar dan in het brein. Over suikerziekte kun je rustig praten op een verjaardag; over depressie is dat lastiger. Een depressie immers, is nog altijd taboe. Maar ondanks dat, en ondanks het gebrek aan kennis, heeft iedereen er wel een mening over.

En ja, omgevingsfactoren spelen vaak een duidelijke rol bij het ontstaan van psychische aandoeningen, maar dat wil nog niet zeggen dat het dus je eigen schuld is. Bij heel veel lichamelijke aandoeningen is dit verband overigens ook aanwezig, maar daar staat men er vaak onvoldoende bij stil.

Depressie is, net als suikerziekte, een welvaartsziekte. Ze komt steeds meer voor; de World Health Organization (WHO) voorspelt zelfs dat depressie in 2020 de tweede ziekte zal zijn, na hart- en vaatziekten.

De Nederlandse politiek, afspiegeling van onze maatschappij, ontkent de problematiek eveneens. Ze denkt ‘magisch’ door juist te willen bezuinigen op de toegenomen zorgkosten van vaak goed behandelbare aandoeningen in de psychiatrie.

Het niet vergoeden van adequate diagnostiek en behandeling is niet alleen desastreus voor de kwaliteit van leven van heel veel patiënten – het is uiteindelijk ook veel duurder door de directe en indirecte kosten die gepaard gaan met psychische aandoeningen.

Het wordt tijd dat we de realiteit in al haar complexiteit onder ogen durven te zien. Dat we accepteren dat ze tussen de oren zit, zonder te vluchten in schadelijke en dure waanbeelden.

    • Esther van Fenema