Zes schrijvers en hun drankkast

Schrijvers en alcohol – geen ongebruikelijke combinatie, zoals iedereen zal beamen die wel eens een Boekenbal heeft bezocht. Uit veel schrijversbiografieën stijgt een onmiskenbare alcoholdamp op, en soms krijg je als lezer de indruk dat boven de poort naar de literaire Olympus die beroemde regel van Riekus Waskowsky staat uitgehakt: ‘Slechts de namen der grote drinkers leven voort.’

De Britse auteur Olivia Laing heeft haar nieuwste boek gewijd aan de innige band die auteurs met alcohol onderhouden. Het uitstapje naar Echo Spring is gelukkig geen verzameling anekdotes, maar een autobiografisch getint reisverslag waarbij ze de sporen volgt van zes auteurs die als grote drinkers bekend stonden: F. Scott Fitzgerald, Ernest Hemingway, Tennessee Williams, John Cheever, John Berryman en Raymond Carver.

Niet bepaald een verrassend lijstje, maar gaandeweg blijkt waarom Laing deze zes heeft gekozen. Natuurlijk, ze bewondert hun werk, maar bovendien blijken de levens van deze auteurs door een keten van overlappingen met elkaar verbonden – ze dronken met elkaar of schreven over elkaar –, wat de samenhang van het boek aanzienlijk vergroot.

De reis begint in New York, waar Cheever in een kliniek van zijn drankverslaving afkwam, en na tussenstops in New Orleans (Tennessee Williams) en Key West (Hemingway) eindigt Laing haar omzwervingen in Port Angeles, het stadje in het uiterste noordwesten van de Verenigde Staten waar Raymond Carver zijn laatste jaren doorbracht. Afgaande op de titel zou je verwachten dat er ergens een tussenstop gemaakt wordt in Echo Spring (het klinkt als een idyllisch kuuroord), maar Laing heeft de titel van haar boek niet ontleend aan een bestaande locatie, maar aan het werk van Tennessee Williams. In diens toneelstuk Cat On a Hot Tin Roof staat een ‘uitstapje naar Echo Spring’ voor een bezoekje aan de drankkast, die vol staat met whisky van het merk Echo Spring.

Concentratie

De ondertitel van het boek luidt Waarom schrijvers drinken. Weten we dat ook als we dit boek uit hebben? Er zijn allerlei redenen aan te voeren waarom juist schrijvers vatbaar zijn voor alcoholisme – de eeuwige druk om met iets nieuws te komen, de onzekerheid over het resultaat, de hevige concentratie die schreeuwt om ontspanning achteraf –, maar het definitieve antwoord dat door de ondertitel wordt gesuggereerd, blijft uit. Daar lijkt Laing ook helemaal niet naar te streven. Ze wil vooral laten zien wat alcoholverslaving betekende voor leven en werk van de zes door haar gekozen schrijvers, en dat doet ze goed.

Het is niet alleen de liefde voor literatuur die Laing naar haar thema heeft geleid. Ze groeide op in een gezin dat werd geteisterd door alcoholisme, en ze hoopt dat ze via het nareizen van de verslaafde schrijvers meer over alcoholisme aan de weet komt. Schrijvers zijn tenslotte gedroomde ervaringsdeskundigen, want bij uitstek in staat hun ervaringen te verwoorden. Het is eigenlijk jammer dat Laing dat autobiografische aspect niet wat meer ruimte heeft gegeven. Iets meer onbescheidenheid had de wisselwerking tussen haar en de zes auteurs vergroot, waardoor Een uitstapje naar Echo Spring aan pregnantie had kunnen winnen.

Wat niet wil zeggen dat het boek zoals het er nu ligt, niet de moeite waard zou zijn. Dorst krijg je er niet van, eerder de koude rillingen die bij een kater horen. Uitzichtloosheid, zelfbedrog, treurig verval, halfslachtige ontwenningskuren, extreem egocentrisme, schokkende gewelddadigheid – in de coulissen van het alcoholische schrijverschap wordt veel geleden, en niet altijd alleen door de drinker zelf.

Laing verbloemt niets, maar klaagt niet aan. Ze beschrijft leven, werk en verslaving van haar zes schrijvers met kalme compassie en doorspekt haar boek met lange citaten, waardoor je zin krijgt het werk van dit sextet te (her)lezen. Je wilt meteen teruggrijpen naar de dagboeken van John Cheever – aangrijpende teksten die aantonen hoe wurgend de greep van een alcoholverslaving kan zijn. ‘Ik vind dat mijn problemen mijn drankgebruik veroorzaken,’ schrijft hij na een bezoek aan zijn psychiater. ‘Hij vindt dat ik mijn problemen verzin om mijn drankgebruik te verdedigen.’

Bravoure

Het grote mysterie blijft natuurlijk hoe die schrijvers nog in staat waren iets coherents op papier te krijgen. Soms lijkt alcohol een enthousiaste supporter; zo bevatten sommige verhalen en romans van Cheever duizelingwekkende wendingen waarin je het bravoure van de alcoholische roes herkent. Maar uiteindelijk wint de drank, zoals de carrière van Tennessee Williams bewijst. De afnemende kwaliteit van de vele toneelstukken die hij na zijn gloriejaren schreef, is volgens Laing direct te wijten aan de alcohol die Williams’ geestesvermogens had aangetast.

Het meest veelzeggende en onthutsende citaat dat Laing heeft opgenomen, komt van de dichter John Berryman: een anderhalve pagina lange biografie van zijn verslaving, geschreven voor zijn zelfhulpgroep. ‘Twee maanden licht drankgebruik […] 9 wkn geleden opeens aan nieuw gedicht begonnen, steeds meer drank, steeds vaker, tot 1 l. per dag. Moest ontzaglijk poepen in een gang op de universiteit, onopgemerkt weggekomen. Boek in één ruk afgemaakt in 5 weken, meest intensieve arbeid van mijn leven.’

Het kan dus: hevig drinken, met alle decorumverlies van dien, én hevig schrijven – voor zolang het duurt. Na lezing van Laings boek blijf je achter met het beeld van de alcoholische schrijver als flamboyante koorddanser die halverwege zijn onbesuisde tocht boven de afgrond ontdekt dat de palen die het touw omhooghouden alleen in zijn verbeelding bestaan. Maar de val hoeft niet dodelijk te zijn. Toen hij de fles liet staan, was Cheever eindelijk in staat zijn briljante roman Falconer te voltooien en Carver schreef zijn beste verhalen nadat hij was gestopt met drinken.