Waterlijk – prachtig woord

Stadsdichter Menno Wigman: „Ik ontdekte dat als er verdronkenen worden gevonden in het IJ, de politie eerst kijkt of de gulp open staat.”

Hoffelijk, welbespraakt, vol ironie en zelfspot en onmiskenbaar tegendraads. Zo zou je Menno Wigman kunnen typeren. Een dichter die met de grootst mogelijke zorgvuldigheid poëzie schrijft. Poëzie die aankomt als een mokerslag.

In januari 2012 trad Wigman aan als stadsdichter van Amsterdam. Het eerste gedicht dat hij in functie schreef rolde voort uit een onopvallend artikeltje in de krant. „Ik las dat in drie jaar tijd ten minste 51 mensen waren verdronken in de grachten van Amsterdam”, vertelt hij. „Dat fascineerde me. Ik ben daar helemaal ingedoken. Ik heb toegang tot een databank van alle kranten ter wereld tot wel twintig jaar terug. Zo stuitte ik op het woord ‘waterlijk’; vakjargon van de politie – een prachtig woord. Ik ontdekte dat als er verdronkenen gevonden worden in het IJ, de politie altijd eerst kijkt of de gulp open staat. Dan weten ze bijna zeker dat iemand dronken in de grachten heeft gepist en afgedreven is naar het IJ.” Hij vertelt hoe hij in februari 2012 een keer ’s nachts met een vriend uit de Melkweg kwam. „Het was onwaarschijnlijk koud. Er kwam een zwaar beschonken man aangelopen die duidelijk aandrang had. Ik zei tegen hem: ‘Als ik jou was zou ik niet in de gracht gaan staan pissen’. Toen ik niet veel later mijn fiets los maakte kwam er een geweldig kabaal uit de gracht, was hij erin gedonderd. Ik schijn toen tegen die vriend gezegd te hebben: ‘Niets doen, niets doen, ik wil kijken wat er gebeurt’. Gelukkig was binnen een minuut de politie erbij.”

Anti-gedicht

Andere stadsgedichten volgden, voor het vijfjarig bestaan van de Centrale Bibliotheek, bij de restauratie van het graf van dichter Jacques Perk, bij het 400-jarig bestaan van de grachten, een Nieuwjaarsgedicht, een gedicht over uitgebluste relaties op IJburg en een oproep aan het dievengilde op tramlijn 5. Voor de kroning van Willem-Alexander schreef Wigman, wars van alle zoetsappigheid rondom het koningspaar, een anti-gedicht. Daarvoor las hij alles wat hij maar kon vinden over Karst T., de man die in Apeldoorn met een Suzuki Swift op de koninklijke familie inreed. Een fascinatie voor lone wolves heeft Wigman al langer; Taxidriver met Robert de Niro is zijn favoriete film – die gaat ook over een verloren ziel die iets wil voorstellen door een bekend iemand om te brengen. Het gedicht Herostratos schreef Wigman vanuit zo’n lone wolf. ‘Er tikken pissebedden in mijn hoofd’ – zo luidt de eerste regel van dit gedicht, dat hij in triomf besluit: „En nog voor het eind van het festijn / zal ik de grootste zoekterm zijn.”

Dichten tot diep in de nacht en dan uitslapen tot het middaguur: Wigmans leefstijl veranderde door het stadsdichterschap niet. Hij was tijdens het lezen van de kranten wel extra alert op Amsterdams nieuws, keek wat beter naar AT5 en werd vooral „ontzettend veel” gevraagd. „Als ik op alle opdrachten was ingegaan had niemand ooit nog iets van me willen lezen. Sommige mensen wilden binnen drie dagen een gedicht, voor de opening van een bakkerij – dat zag ik mezelf niet doen.”

Tijdsdruk

Een enkele keer ontkwam Wigman niet aan een hoge tijdsdruk, dan was de actualiteit zo dwingend dat hij wel dichten moest. Door het stadsdichterschap werd Wigmans tempo van schrijven enorm opgedreven. In 2013 maakte hij zestien gedichten, twee keer zoveel als gemiddeld per jaar. Terwijl hij doorgaans zeven à acht weken nodig heeft voor een gedicht, schreef hij nu, tot zijn eigen verbazing, in twee dagen tijd een gedicht; bij de dood van Gerrit Komrij zelfs in één dag. Als stadsdichter werd Wigman geacht ieder jaar minstens zeven gedichten over Amsterdamse actualiteiten te schrijven; dat haalde hij ruimschoots. Ze werden gepubliceerd in Het Parool en in de krant van stadsdeel Centrum. Meer dan de helft neemt Wigman in zijn nieuwe bundel op, die in januari 2015 moet verschijnen.

Naast het schrijven van gedichten over Amsterdamse actualiteiten, initieerde Wigman als stadsdichter ook enkele programma’s. Met het idee dat er bijna nergens zoveel poëzie wordt geschreven als achter de tralies, stapte hij op de Bijlmerbajes af. „Als je echt met je rug tegen de muur staat, dan vecht poëzie zich als een oerkracht naar buiten. Poëzie is toch de beste taal die er is”, zo is zijn overtuiging. Of het waar is wist hij niet. In een handwerklokaal zonder ramen of airco leidde Wigman zeven poëziebijeenkomsten met zo’n acht man uit het Huis van Bewaring. Soms moest Wigman met de wanhoop van een maatschappijleraar de aandacht trekken – dan ging de onderlinge uitwisseling over de voortgang van ieders rechtszaak even voor – maar zodra iemand met een overtuigend gedicht kwam, viel er een diepe stilte of werd er luid geapplaudisseerd. Er zaten opvallende bijdragen tussen. Eén jongen „met een grote bek” schreef een gedicht voor zijn meisje: „Als ik aan je denk zie ik een overval, / grof naar binnen, beentjes in de lucht, / met tempo naar de kluis / en snel weer veilig terug naar huis.”

Twee talenten ontdekte Wigman in zijn groepje van acht. Dat maakte nieuwsgierig naar de andere ‘détinés’, zoals hij ze noemt. Om toch nog de hele gevangenisgemeenschap te bereiken bedacht hij later de Bijlmerbajes Poëzieprijs. Op dit moment hangen overal in de gevangenis affiches met de oproep gedichten in te sturen. Op 4 februari wordt de winnaar bekendgemaakt. De hoofdprijs bestaat uit een paar telefoonkaarten met beltegoed – felbegeerde zaken achter de tralies.

„Als ik terugkijk valt me op dat ik opmerkelijk veel aandacht besteedde aan outcasts. Alles wat afwijkt vind ik interessant. Er zijn al zoveel poesie-avondjes, waar geen hond op afkomt, ik wilde eens iets anders doen.” Wigman organiseerde in mei 2012 een avond met Vergeten Dichters en in januari 2013 ‘Poëzie in De Slegte’ – en speelde zo met de nachtmerrie van iedereen die schrijft. Voor optredens als op het Gedichtenbal in de Stadsschouwburg en tijdens de Museumnacht in Arti et Amicitiae haalde Wigman bovendien zijn drumstel uit de kast. Menig dichtersavond eindigde in een feestje met zijn nieuwe band The Uncool.

Draaideur

Vraag je aan de stadsdichter hoe hij zijn functie heeft ervaren dan bekent hij dat hij op 5 februari toch een zucht van verlichting slaakt. “Ik heb geprobeerd gedichten te schrijven die reageren op een gebeurtenis, maar die je ook kunt lezen zonder dat je de aanleiding kent. Ik wilde mijn gedichten boven het moment laten uitstijgen. Dat heeft nogal veel van me gevergd. Bovendien hebben de meeste mensen niets met poëzie; dat zal allemaal best, maar heb je deze titel, dan willen ze plotseling iets met je. Ik had het gevoel dat ik in een draaideur zat; Wigman moet thuis zitten om aan een opdracht te werken en Wigman moet weer naar buiten om zijn gezicht te laten zien. Ik voelde me voortdurend tekortschieten. Het dichterschap, waarbij je je toch afzondert om tot poëzie te komen, staat mijns inziens op gespannen voet met dit ambt.”

Volgens Wigman, die zichzelf kenmerkt als „niet één van de meest opgewekte dichters”, is van zijn oorspronkelijke plannen ook nog eens veel mislukt. Voor een leegstaand kantorencomplex bij de Arena maakte hij een gedicht waarvan iedere letter een heel raam besloeg. „Het was als protest tegen de enorme leegstand van kantoorruimtes in Amsterdam. Spits of Metro kondigde het aan als het grootste gedicht van Nederland. Toen het onthuld werd was het gedicht door de spiegeling van de ruiten volstrekt onleesbaar. We stonden er in de stromende regen naar te kijken. Alles voor niets.”

Hoogtepunt voor de afzwaaiende stadsdichter was de Avond van de Stadsdichter in De Kleine Komedie in maart vorig jaar, een hilarische avond met optredens van schrijvers en dichters als Neeltje Maria Min, Thomas Rosenboom en Delphine Lecompte. Toch zal Wigman het meest van al terugdenken aan de Bijlmerbajes. „Ik ben erg benieuwd wat er ingezonden wordt. Op 4 februari, de laatste dag van mijn stadsdichterschap, is de uitslag van de eerste Bijlmerbajes Poëzieprijs. Ik hoop dan echt op een smashing goed gedicht.”