Voor hij mij doodt waar ik bij sta, waar jij bij staat

Ik merkte dat ik het in mijn vestzak deed, zoals je doet met iets dat je in de buurt wilt houden. Dat gebeurt niet zo heel vaak met essays over poëzie, maar met de beste gebeurt het wel. Die wil je bij je houden omdat ze je ervaring van de poëzie waar het om gaat verhogen, verdiepen, vergroten.

Piet Gerbrandy, poëziecriticus en classicus, schreef Een vlok duisternis. De poëzie van Hans Faverey als ritueel proces, een essay dat in een handzaam smal boekje is verpakt zodat je er steeds even in kunt lezen. Als betrof het de poëzie zelf van Faverey, en in zekere zin is dat zo.

Hans Faverey (1933-1990) wordt tot een van onze grootste, maar ook tot een van onze duisterste dichters gerekend. Tegelijkertijd is hij op een bepaalde manier heel helder, hij gebruikt geen moeilijke taal, geen ondoorgrondelijke constructies. Toch weet je niet altijd wat het precies is, wat zijn taal tevoorschijn haalt en weer laat verdwijnen, en wat je soms zo ongemeen aangrijpt.

Gerbrandy maakt in dit essay gebruik van een kader dat hem, en ons, veel verheldert over wat Faverey nu eigenlijk doet. Hij vervolgt een suggestie van dichteres Maria van Daalen, die over de laatste reeks uit Faverey’s oeuvre schreef dat die het karakter van een ‘rite de passage’ heeft – de passage van leven naar dood.

Gerbrandy laat dat min of meer voor het hele werk gelden: de gedichten, reeksen en bundels zijn als het ware rituele overgangen van het ene stadium naar het andere. Bijna van niets naar niets, van niet-zijn tot niet-meer zijn. Het gedicht zelf bevindt zich, met de dichter en de lezer, op de drempel tussen die twee toestanden. Het heeft weet van een begin en van een einde, het heft zichzelf op terwijl het er is en bijt zichzelf in de staart.

Dat kan een virtuoos spel zijn, maar Gerbrandy laat zien dat het oeuvre zich geleidelijk aan ontwikkelt van, heel ruw gezegd, enigszins theoretische taalconstructies aangaande het besef van vergankelijkheid, naar een per gedicht navoelbaar uitgedrukte ervaring van sterfelijkheid. Zonder uitgesproken biografisch te lezen, doet Gerbrandy vooral recht aan de existentiële lading van deze poëzie. En die is groot, een lezer zit soms naar adem te happen.

Dankzij de zorgvuldige lezingen en de welgekozen voorbeelden en citaten, lees je in dit essay de poëzie van Faverey vaak grondiger en doorvoelder dan je zonder de gidsende aanwezigheid van Gerbrandy zou doen. Of zou kunnen.