U verdient een Nobelprijs voor het geduld

Van links naar rechts: Constantvan Wessem, Henk Romijn Meijer, J.J. Voskuil en Hendrik de Vries Foto's Letterkundig Museum, Chris van Houts, Vincent Mentzel, ‘Brieven 1919-1952’, Think Stock

Zeer geachte heer Van Wessem,

U weet natuurlijk zelf ook wel dat u allang vergeten bent. Heel soms komt nog u zijdelings aan de orde in een literair-historisch artikel, maar ook uw mooie Slauer- hoff-biografie staat hooguit in een enkele tweedehandsboekhandel op de planken. De levendigste herinnering die ik aan uw literaire bestaan heb, is een briefkaart die ik ooit onder ogen kreeg, geschreven door uw vrouw aan een vriend in december 1954, de maand waarin u stierf. De tekst: ‘Er is geen enkele hoop meer.’

Die kaart had ik fysiek in handen, maar dezelfde historische sensatie treedt al op als je een mooie brievenuitgave in boekvorm leest. Het spijtige is: ze worden amper nog uitgegeven. Hooguit een paar maal per jaar komt een uitgever nog met een ‘brievenboek’ – kennelijk is er weinig vertrouwen in de economische mogelijkheden van brievenboeken, die nu eenmaal een vorm van slow reading vragen, waarvan mensen denken dat ze er geen tijd voor hebben. Tekenend is, wat dat aangaat, dat de twee brievenboeken die de laatste tijd in Nederland verschenen, werden geproduceerd door kleine uitgeverijen: het Nijmeegse Flanor (Henk Romijn Meijer en J.J. Voskuil, Een trans-Atlantische briefwisseling) en de in historische uitgaven gespecialiseerde Hilversumse uitgeverij Verloren.

Dat laatste boek, en dat is dan wel weer aardig, bevat uw correspondentie met Hendrik de Vries. Uw vriend is iets minder vergeten dan u, al komt dat ook doordat er enkele jaren geleden van hem een biografie is verschenen, door Jan van der Vegt. Die heeft ook deze uitgave, Brieven 1919-1952, verzorgd. Er staan overigens veel meer brieven van De Vries in dan van u – volgens Van der Vegt omdat De Vries nogal een sloddervos was. En omdat hij bijzonder vol van zichzelf was, maar dat hoef ik u niet te vertellen.

Ik heb me kostelijk geamuseerd. Wij eenentwintigste-eeuwers zijn daarbij vooral gespitst op wat u schrijft over auteurs die wij nog wel lezen, zoals ‘het werk van Marsman, dat toen in zijn jongensachtige eigenwilligheid nog erg op een borrelende brouwketel geleek’. U heeft stellig smaak, al is het curieus om te lezen hoe u het ‘pittoreske’ en ‘muzikale’ mist in het werk van Gerrit Achterberg, ‘dat je als het rasechte van een kunstsoort erkent en dat Achterberg in zijn „staat van ontbinding’’ (zoo lijkt het mij tenminste) mist om een werkelijk dichter te zijn, hoogstens een spookgeest uit een krankzinnigengesticht (wat misschien ook wat is)’. Wij beschouwen Achterberg inmiddels als een van de allergrootsten.

Tijdens het lezen had ik regelmatig met u te doen. Wat een ijdeltuit was die De Vries! Met zijn uitweidingen over de erotische roes waarmee hij ’s nachts zat te schrijven – in het donker! Waarna hij de volgende morgen zijn aantekeningen niet kon lezen. En zijn slaolie, die hij wel dronk, maar ‘als bedwelmend middel is olie-zonder-meer zeker onbruikbaar’. U verdient een Nobelprijs voor het geduld waarmee u al die brieven hebt gelezen en beantwoord, waarbij u dan ook eindeloos correspondeerde met De Vries over diens gedichten, in uiteenlopende staat van voltooiing.

Het prettige van dit soort correspondenties is dat je kunt zien hoe ze persoonlijker worden en er door de loop van de geschiedenis vanzelf een verhaal ontstaat – in het geval van uw vriendschap met De Vries dat van de langzaam doordringende oorlog. Zeventig jaar na dato is het leerzaam om te lezen hoe de bezetting in 1941 hoegenaamd niet wordt genoemd in uw brieven, waarna via het verschijningsverbod van uw boek Broeders in Apollo, De Vries en u zelfs nog samen in Gelderland belandden, ook al omdat er in Den Haag steeds minder eten was.

Klopt mijn veronderstelling dat nadat u daar anderhalve maand samen had gezeten, de vriendschap wat bekoelde? Ik kan het me voorstellen, als die De Vries in het echt net zo’n kletskous was. Helemaal dol wordt het wanneer hij met grote ernst zijn jeugd uit de doeken gaat doen en u zijn ‘vannacht gecomponaneerde’ gedicht ‘’t jongetje rustte op een weelderig bed’ toestuurt.

Van der Vegt vermoedt dat De Vries wel een door u geschreven biografie van zichzelf wilde, in elk geval had hij aan u een geweldige redacteur. Ik vond het vooral aardig om u over uzelf te lezen, wanneer u schrijft over de dramatische verhouding met uw vader: ‘De dag na mijn meerderjarigheid ben ik het huis uitgegaan – want tot dien dag zou mijn vader me de politie achterna gestuurd hebben – met niets dan een spaarbankboekje met fl. 150 op zak, mijn rechtenstudie eraan gevend, maar ik heb me er door heen geslagen, al heb ik ook met bedelaars op één bank in de volksgaarkeuken moeten eten. Mijn vader heeft me in elk geval een harden nek leeren krijgen.’

Het klinkt als de opzet van een mooi boek, maar De Vries reageerde er verder niet op. Wat mij wel weer voor hem innam, en wat ook mijn beeld van uw vriendschap verder verdiepte, was dat toen het bericht kwam dat u ongeneeslijk ziek was, hij zich de volgende dag naar u toe spoedde. Hij stierf zelf pas in 1989, op zijn 93ste.

In de zestig jaar die sinds uw dood zijn verstreken, is natuurlijk een hele reeks schrijvers gegaan en gekomen. Twee van die auteurs, Henk Romijn Meijer (1929-2008) en J.J. Voskuil (1926-2008), hebben ook een brievenboek gekregen: Een trans-Atlantische briefwisseling. Trans-Atlantisch omdat Romijn Meijer werkte in de Verenigde Staten terwijl in Nederland Bij nader inzien verscheen, de kolossale roman van Voskuil. De correspondentie heeft wel wat van die tussen u en De Vries, waarbij Romijn Meijer allerhande adviezen aan Voskuil geeft, die bedacht is op de reacties die zijn boek zal veroorzaken (er komen veel oude studievrienden van hem in voor).

Romijn Meijer speelde een belangrijke rol in de verschijning van Bij nader inzien: het manuscript lag in 1962 bij Reinold Kuipers van uitgeverij Querido, die het te dik vond – Kuipers komt als ‘jonge dichter’ nog langs in uw correspondentie met Hendrik de Vries. Romijn Meijer bracht het dikke boek in fietstassen naar uitgever Geert van Oorschot, die het wél uitgaf. (Al beperkte hij zijn risico door een vriend van Voskuil garant te laten staan voor de verliezen).

Het zou voor u ook een interessant boek zijn. Bijvoorbeeld om het inkijkje in de literatuurgeschiedenis dat het geeft en de kennismaking met de impulsieve uitgever Van Oorschot, die later zelfs uw vriend De Vries nog zou uitgeven. (Ze kregen ruzie.) En het bevat ook mooie beschrijvingen van wat Romijn Meijer zoal aantrof in Amerika: ‘Dizzy Gillespie wil president van Amerika worden – hij heeft ballonnetjes laten maken met “Dizzy for President” en speldjes met hetzelfde.’ Was u eigenlijk ooit in Amerika?

Nu goed, er is veel wat ik u zou willen vragen en laten lezen: hele rijen nog onbestaande brievenboeken van alle grote schrijvers die na u zijn gekomen: van Jeroen Brouwers en Gerrit Krol, tot W.F. Hermans en Arnon Grunberg. Ik hoop maar dat de Nederlandse uitgevers – en niet alleen de kleintjes, maar ook de grote – in dat soort boeken blijven investeren. Al is het maar voor u.

Met beleefde groeten,