Spelen en politiek zijn niet te scheiden

Illustratie john cole

Geen misverstand dat het zo lang volhoudt als het Olympische. Van Mark Rutte tot NOC-bestuurders, telkens weer worden de Spelen ons voorgespiegeld als een onschuldige bezigheid voor jongelui, fijn in de weer met horden en estafettestokjes.

De premier gaat daar in Sotsji alleen maar wat sporters aanmoedigen, zegt hij – niks impliciete steun aan president Vladimir Poetin. Laatst nog bracht de Nederlandse chef de mission Maurits Hendriks het misverstand zo onder woorden: „Bijzonder om vast te stellen dat de Spelen politieke thema’s op de agenda krijgen. Tegelijkertijd moeten we er alles aan doen om politiek en sport gescheiden te houden.”

Vooral het laatste woord raakt de kern. Immers: er valt niet zo veel gescheiden te houden — de Spelen en de politiek zijn nooit gescheiden geweest. Wie terugbladert in de geschiedenis ziet tal van politieke discussies. Je belandt via Beijing 2008 (mensenrechten) en de boycots van Moskou 1980 (Russische inval Afghanistan) en Melbourne 1956 (Suez-crisis, neerslaan Hongaarse opstand) en de nazi-Spelen van 1936 bij, warempel, de allereerste Spelen in de moderne tijd. In 1896 ging het in Athene gelijk al mis. Het internationalistische gedachtegoed van initiatiefnemer Pierre de Coubertin ten spijt waren de sporters verplicht aan te treden in hun nationale tenues. Voor de winnaars werd de nationale vlag gehesen en hun nationale hymne gespeeld. Dit ondanks Artikel 6, Olympisch Handvest: „De Olympische Spelen zijn competities tussen atleten in individuele of teamevenementen en niet tussen landen.” Cruciale weeffouten, dus. De Spelen als verspreiders van nationaal prestige werden bepaald niet uitgevonden door Hitler – al pompte zijn propagandaminister Goebbels het sportevenement van 1936 wel tot een ongekend volume op. De Franse pedagoog en historicus De Coubertin (1863-1937) zag de sport als een mondiaal vredeselixer. Maar zijn droom van een lichamelijk actieve, en daardoor blijmoedige jeugd, sproot voort uit iets heel anders: zijn eigen Franse frustraties inzake de roemloos van Duitsland verloren oorlog in 1871. Om zelfverzekerder te worden moest de Franse jeugd naar Engels model sporten. Zo viel De Coubertins droom samen met zijn wens om zijn land vooruit te helpen – een combinatie die onder Franse idealisten wel vaker voorkomt. Het is de paradox van de Spelen: tegenover de wens om politieke invloed buiten de deur te houden, staat het feit dat de man die het allemaal bedacht de Franse belangen nadrukkelijk meewoog. Het was dan ook geen toeval dat Duitsland, als het aan de baron lag, niet zou meedoen aan Athene 1896. Hij had de Duitsers twee jaar eerder al niet uitgenodigd voor het congres aan de Sorbonne in Parijs, waar tot herleving van de antieke Spelen (776 v Chr. – 393 n Chr.) werd besloten. Er werd geen Duitser uitgenodigd om zitting te nemen in het eerste IOC-bestuur, en slechts om praktische redenen mocht het Duitse Keizerrijk uiteindelijk toch meedoen in 1896. In zijn lobby voor acceptatie van de Spelen en sport in zijn algemeenheid kon De Coubertin de Duitsers domweg niet missen.

Kennelijk zag ook de Fransman de om de eer strijdende sporter als het erop aankwam als een vertegenwoordiger van zijn land. Met als gevolg een hoop nationaal gesteggel rond een sportevenement dat was bedoeld om volkeren te verbroederen. Daar bleef het niet bij. De Hongaren bijvoorbeeld hadden geen zin de Oostenrijks-Hongaarse monarchie te representeren en traden demonstratief aan in de Hongaarse kleuren groen-wit. De Ieren weigerden te sporten onder de Britse vlag. De oude vijanden van de Grieken, de Turken, waren niet uitgenodigd en zij riepen de Spelen uit tot vehikel van het Grieks expansionisme. Daar viel in zoverre iets voor te zeggen dat de openingsceremonie uitgerekend op 25 maart plaatsvond, de dag waarop de Grieken hun vrijmaking van het Ottomaanse Rijk in 1821 herdachten. Tijdens die openingsceremonie in 1896 stonden de 241 atleten keurig in nationale falanxen te luisteren naar de Griekse koning George I die de eerste moderne Spelen voor geopend verklaarde.

De toon voor de moderne Spelen was gezet: alles was politiek. De Olympische vlaggen met hun vijf ringen als verbinding tussen de vijf continenten, introduceerde Baron de Coubertin pas in 1912 in Stockholm. De nationale vlaggen waren eerst. Gezien het belang van nationale sentimenten is het niet zo verwonderlijk dat de Duitsers acht jaar later geen uitnodiging kregen voor de Spelen van 1920. De aanwezigheid van de ‘agressors’ van de Eerste Wereldoorlog werd niet passend geacht op de vredelievende Spelen - al helemaal niet omdat de Spelen uit compassie met het Vlaamse slagveld tussen 1914 en 1918 aan Antwerpen waren toegewezen. De agressors uit Oostenrijk, Hongarije, Bulgarije en Turkije werden eveneens geboycot door het IOC. In 1924, zes jaar na het verlaten van de loopgraven, hetzelfde liedje. Dat heeft historici tot de mening gebracht dat niet de totalitaire regimes, maar juist de democratische naties de eerste waren om de Olympische gedachte te misbruiken voor politieke doeleinden. De communistische leiders van de Sovjet-Unie beschouwden de Spelen als ‘bourgeois’ en zouden pas in 1952 deelnemen. Zo beschouwd waren de pompeuze nazi-Spelen van 1936 geen op zichzelf staand verschijnsel, maar veel eerder een voortborduursel van wat al in 1896 was ingezet. Je zou de door regisseur Leni Riefenstahl geromantiseerde Spelen van Hitler haast kunnen zien als een boemerang voor alle keren dat Duitse sporters en begeleiders in de veertig jaren daarvoor waren gepest. Zo werden zij bij aankomst in Parijs voor de Spelen van 1900 compleet aan henzelf overgelaten en moesten ze urenlang door de stad lopen om het sportterrein te vinden. Dankzij de Spelen in Berlijn kon Duitsland zichzelf op de kaart zetten als een sportief succesvol, gastvrij en uitstekend organiserend land, en met de veel bekritiseerde Jodenvervolging leek het plotseling ook wel mee te vallen. Sinds de nazi-Spelen is alles massaler geworden, zijn er meer Olympische symbolen, zoals de fakkelloop vanuit Olympia, is het samenstellen van een rangorde van gewonnen medailles per land gewoon, net als het streven naar economisch gewin. Met de moderne Spelen gaf Pierre de Coubertin de wereld zijn eerste grote, grensoverschrijdende sporttoernooi. Een evenement dat eerder een middel dan een doel was. Deelnemen is in werkelijkheid nooit belangrijker geweest dan winnen, en nu sportbeoefening inmiddels op alle continenten als heilzaam voor de jeugd wordt gezien, is het oorspronkelijke ideaal van De Coubertin een lege huls geworden.

Er wordt geen vrede gesticht met de Spelen, er wordt gestreefd naar nationaal prestige en een bloeiend toerisme. Dat betekent, kortom, dat de sporters vanaf volgende week vrijdag onderdeel zijn van Poetins propagandamachine, of zij dat nu leuk vinden of niet. Net zoals de sporters dat bij vorige gelegenheden waren. Helemaal niet vreemd dus dat de Russische regering naar schatting vijftig miljard dollar uitgaf om van de Winterspelen een fraai politiek visitekaartje te maken. Het past in de Olympische traditie.