Column

Simone Engelen

Dat het religiedebat in cultureel centrum Felix Meritis woensdagavond stampvol zat, was sowieso een godsbewijs, grapte de conciërge. Een middelbaar stel dat bij de kassa had gewacht in de hoop op een vrijgekomen kaartje, werd naar de foyer gewezen, waar ze het religiedebat ‘live’ op een scherm konden meekijken. „Aan de bar”, wees hij het boze stel vrolijk op hun voordeel.

Ik mocht doorlopen – „Mevrouw is van de pers.”

„Onrechtvaardig”, bulderde de man me achterna.

Ik nam de stoel die mijn vriendin (braaf met toegangskaartje) had vrijgehouden, we zaten in een tochtstroom die mijn aantekeningenboekje deed ritselen – nog een godsbewijs, genadeloos oordelend over het feit dat ik me als een meerdere naar binnen had geluld.

Het debat mondde uit in theoretisch gesteggel tussen de atheïsten aan de ene kant van de tafel, en de christenen aan de andere kant. Het podium was hun enige gemeenschappelijke grond, verder verkeerden ze in ieder hun eigen epistemologische cocon, twistend over de juiste interpretatie van voetnoten.

„Er zitten allemaal gereformeerden in de zaal. Dat zie je aan hun hoofden. En aan hun windjacks”, siste mijn vriendin. Ze is afvallige en heeft dus recht op rancune, al wonnen de gereformeerde Gaastra’s het van onze minirokjes, zo in de kou gezeten.

Ik dacht terug aan Johan en Tini uit Zwolle, zij hadden ook windjacks gedragen, witte nog wel, als reddende engelen, gestopt aan de kant van een Duitse snelweg. Ik liftte terug uit Berlijn en zij waren – na de zoveelste vrachtwagenchauffeur die zijn bunkbed aanbood op deze highway to hell – mijn enige hoop om nog naar Nederland te komen. Er was eigenlijk geen plek in hun Toyota Prius, maar Johan en Tini bleken eraan gewend om ruimte te maken.

Ze hadden zeven ‘eigen’ kinderen, een heilig getal, maar alle pleegkinderen telden net zo vol mee. Ze boden dropjes aan die ik niet zelf in mijn mond kon stoppen, omdat ik onder hun bagage zat. Johan vertelde over de jongste ‘echte’ zoon, die net geslaagd was voor de politieopleiding. Op de promenade van Kampen moest hij een boete uitschrijven aan een vrouw, ze fietste waar dat niet mocht. De vrouw moest huilen. Heel hard, want ze zat in de bijstand. Maar de examinator keek van een afstandje toe en de zoon wilde slagen. Dus gaf hij haar een bon, een bekeuring van zestig euro. Eenmaal op het bureau voelde hij zich zo schuldig dat hij de vrouw opbelde, geruststelde en het bonnetje verscheurde.

Daar waren Johan en Tini trots op.

Of ik gelovig was?

„Nee.” Ik zei het zacht, mompelde mijn antwoord het zijvak van een tas in.

„Ach”, Johan haalde zijn schouders op, „bij de politie maakt het toch niets uit, of je nu bidt of niet: je krijgt gewoon een bon als je op de promenade fietst.”