Rituele taal uit Suriname is 200 jaar geleden bedacht

Surinaamse vrouw in Kumanti-trance

Als de Aukaners in de binnenlanden van Suriname communiceren met voorouders of geesten, noemen ze de zon opeens geen san meer, maar iyamudadipantanplan. En een baby is opeens geen beibi, maar een mlekuboi. Ze spreken dan ‘Kumanti’, een rituele taal waarvan ze zeggen dat het een overblijfsel is van een West-Afrikaanse taal. Taalkundig onderzoek wijst nu uit dat deze rituele taal in Suriname zelf is ontstaan. Robert Borges promoveert er vandaag op aan de Radboud Universiteit.

De Aukaners zijn Marrons: afstammelingen van ontsnapte slaven in de binnenlanden van Suriname. „De Aukaners zien zichzelf als een Afrikaans volk”, zegt hij. „Maar dat is een geconstrueerde identiteit. En zo je wilt ook een soort nostalgie, naar het West-Afrikaanse verleden.” De slaven die in de zeventiende en achttiende eeuw naar het Caraïbisch gebied verscheept werden, kwamen uit heel uiteenlopende delen van West-Afrika en spraken heel uiteenlopende talen. Die talen gingen in Suriname verloren. Op de plantages was Engels aanvankelijk de voertaal en uit verbasterd Engels ontwikkelden de slaven heel snel nieuwe talen: creooltalen, waaronder het Surinaams (Sranantongo).

De Aukaners, bij wie Borges onderzoek deed, zijn nakomelingen van slaven die in de achttiende eeuw uit de plantages ontsnapten en zich dieper het oerwoud in vestigden, als zelfstandige gemeenschappen. Zij ontwikkelden hun eigen creooltaal: het Aukaans. Dat de meeste woorden daarin uit het Engels afkomstig zijn is nog steeds wel te zien. „Een week heeft zeven dagen” is in het Aukaans: Wan wiki abi seibin dei. Dat lijkt op het Engelse One week has seven days.

Borges kreeg de Aukaners zover dat zij hem allerlei voorbeeldzinnen gaven van hun rituele taal. Hij stelde vast dat dit Kumanti de grammatica heeft van de gewone Aukaanse taal, en ook dezelfde voorzetsels, voegwoorden en voornaamwoorden. Maar de zelfstandige naamwoorden, werkwoorden een een groot deel van de bijvoeglijke naamwoorden zijn totaal anders: die zijn uit andere Surinaamse talen overgenomen of verzonnen.

Een beperkt aantal Kumanti-woorden is nog te herleiden tot een West-Afrikaanse oorsprong. Kokolo (kip) lijkt verdacht veel op het Ghanese okokolo. Maar de meeste woorden zijn anders tot stand gekomen. In mlekuboi (baby) zijn gewoon twee bestaande woorden aan elkaar geplakt: mleku (melk) en boi (jongen). Sawa (wassen) is een omkering van het gewone woord wasi. Het woord voor vier – tinafo – is afgeleid van het gewone woord voor veertien.

Waar dat lange woord voor zon vandaan komt, weet Borges niet. „Ze konden dat niet uitleggen. Of ze wilden het niet uitleggen. Maar het zou zoiets kunnen zijn als grotegelebalindelucht.”

Interessant is dat het Kumanti ook woorden gebruikt die in Surinaamse teksten uit de achttiende eeuw voorkomen maar daarna uit het Surinaams verdwenen zijn. Het Kumanti-woord voor persoon, pipli, is gelijk aan het woord dat in het Surinaams van twee eeuwen geleden gebruikt werd voor mensen. Dat wijst erop dat het Kumanti geen recente uitvinding is.

Als die rituele taal niet Afrikaans is, hoe zit het dan met de rituelen zelf. Zijn die Afrikaans? Borges: „De antropologen zijn het er inmiddels wel over eens dat ook die rituelen een mix zijn van allerlei verschillende elementen. Bits and pieces waar een nieuw geheel van gemaakt is. Sommige Aukaners zeggen dat al hun goden uit Afrika komen, anderen zeggen dat sommige goden uit Afrika komen en sommige bij Suriname horen. Ze zijn het daarover niet helemaal eens.”

De rituele taal die Borges kon optekenen is Tapuwataa Kumanti (‘boven-water’ Kumanti). Maar er is ook nog zoiets als Dipi (diepe) Kumanti. „Tapuwataa Kumanti kun je leren, uitleggen, vertalen. Dipi Kumanti niet: daarvoor moet je bezeten zijn. Ze zeggen soms dat ze zelf niet weten wat ze zeggen als ze bezeten zijn.”

Borges heeft één keer mogen meemaken dat een jongen van 14 bezeten raakte. „Ik had helaas geen recorder bij me. Ik werd gewenkt, mocht erbij komen zitten. Ik heb alleen wat foto's kunnen maken. Ik voelde me daar erg ongemakkelijk bij. Maar de Aukaners zelf hadden er geen probleem mee. Die stonden zelf ook allemaal met hun mobieltjes om die jongen heen.”