Praten tegen jezelf is prima, maar nooit in de ik-vorm

„Oké De Bruin, kom op nou. Je kunt het. Je hebt niet heel veel tijd om dit stuk af te maken. Muziek uit, mail uit, twitter uit, kom op.”

Kijk, dát is tegen jezelf praten. Zó moet het. Hoe het dan niet moet? „Ik kan dit niet. Ik ben bang dat ik geen tijd genoeg heb. De deadline maakt me nerveus.”

Die twee manieren van tegen jezelf praten – het hoeft trouwens niet per se hardop – verschillen enorm. De eerste is doortastender en optimistischer; de tweede is vooral zorgelijk en negatief. Maar er is nog een verschil en dát verschil is cruciaal, beargumenteert een team Amerikaanse psychologen in Journal of Personality and Social Psychology (februari). Bij de tweede manier praat iemand tegen zichzelf in de ik-vorm, bij de eerste niet. En het lijkt misschien potsierlijk om tegen jezelf in de tweede of zelfs de derde persoon te praten (je voelt je misschien als Julius Caesar in de Asterix-strips) maar het is wel functioneel.

In het onderzoek van de Amerikanen kregen proefpersonen de opdracht in gedachten tegen zichzelf te praten (en soms om die gedachten ook op te schrijven), bijvoorbeeld ter voorbereiding op een moeilijke ontmoeting, of gewoon om hun gedachten en gevoelens op een rijtje te krijgen. De helft moest dat doen in de eerste persoon, door zo veel mogelijk woorden zoals ‘ik’ en ‘mij’ te gebruiken. De andere helft moest juist zoveel mogelijk ‘jij’ en hun eigen naam gebruiken. De mensen die zichzelf op die laatste manier moed inspraken, gedroegen zich daarna sociaal vaardiger in moeilijke situaties. Ze waren ook minder nerveus en somber en gaven volgens toeschouwers betere speeches dan mensen die de instructie hadden gekregen om in de ik-vorm tegen zichzelf te praten.

Het was al bekend dat mensen die somber zijn relatief vaak het woordje ‘ik’ gebruiken. In het werk van dichters die later zelfmoord heben gepleegd komt ook vaker ‘ik’ voor dan in gedichten van mensen die dat niet hebben gedaan. Het zou kunnen dat mensen die zichzelf in de ik-vorm adresseren, daar somber en zwakjes van worden. Maar dat hebben de psychologen verder niet onderzocht.

Zij richtten zich op een ander idee, dat ook in cognitieve therapie wel wordt toegepast. Daarin wordt patiënten geleerd om niet egocentrisch, maar vanaf een afstand naar zichzelf en hun pijnlijke gevoelens te kijken. Self-distancing wordt dat genoemd, letterlijk jezelf op een afstand zetten. Het helpt bij het veranderen van eventuele irrationele gedachten en het accepteren van wat niet zomaar te veranderen valt.

Het gebruiken van de tweede en derde persoon bij het praten over jezelf is in feite een vorm van linguïstische self-distancing. En ook dat werkt dus. In het onderzoek zeiden de proefpersonen die geïnstrueerd waren om aan deze taalkundige self-distancing te doen dat ze de moeilijke situaties beter dachten aan te kunnen. Ook was hun zelfpraat minder tobberig dan die van de zielepoten die de opdracht hadden gekregen om zichzelf met ‘ik’ aan te spreken.

Hoe vaak en wanneer mensen spontaan tegen zichzelf praten in de eerste persoon of niet, is nog niet bekend. Misschien zijn sommige mensen meer geneigd om het een of het ander te doen. Maar uit dit onderzoek blijkt dus ook dat je jezelf ertoe kunt zetten om dan in ieder geval het woordje ‘ik’ te vermijden.