Ongemakkelijke brij van feiten en gore fictie

De oude tv-fragmenten waarin A.H.J. Dautzenberg naar aanleiding van zijn roman Samaritaan (2011) vertelt over zijn vrijwillige nierdonatie behoren met terugwerkende kracht tot de fictie. Want wat biecht hij op in zijn nieuwste verhalenbundel en in een recent interview? Hij doneerde helemaal geen nier. Samaritaan ‘was helemaal geen autobiografisch boek’, wat hij in de media beweerde was ‘aanstellerij, een promotioneel praatje’.

Dautzenbergs antwoord op de vraag bij Pauw & Witteman of hij geen spijt had van zijn donatie („Nee, het heeft me juist ontzettend veel opgeleverd”) is met de kennis van nu opeens ‘geestig’, waar het eerst een paar jaar ‘ethisch’ of ‘altruïstisch’ was.

Overigens: wanneer Dautzenberg in een toekomstig boek of interview beweert dat hij toch wél een nier doneerde, dan draait alles weer om. Die kans is reëel. Omdat de schrijver zich in verzinsels zal blijven wentelen, maar vooral omdat hij zijn ‘bekentenis’ in En dan komen de foto’s doet, in een verhaal dat de vorm heeft van een interview. In dat laatste genre is Dautzenberg al niet meer te vertrouwen sinds de serie nep-interviews voor de VPRO.

Incest, verkrachting, sadisme

Dautzenberg moet zich wel wezenloos ergeren aan de tijd waarin wij leven. Een tijd die, als we afgaan op de contra-houding in zijn bundel, bol zou staan van moralisme en die eerder genoemde hechting aan feitelijkheid. Er spreekt een hooligan-achtige agressie uit zijn benadering van de lezer, een agressie waarmee hij misschien wel het punt wil maken dat het slechts verhalen zijn die we lezen, en niets meer dan dat. Hij behandelt ‘ongemakkelijke’ onderwerpen als incest, verkrachting en sadisme, en niet iedere lezersmaag zal opgewassen zijn tegen het plastische karakter van Dautzenbergs teksten.

Er spreekt uit het boek een heilig geloof in het schokeffect, al wordt dat door Dautzenberg niet altijd even effectief ingezet. Zo is er het ronduit gore verhaal ‘Dennenappel’, waarvan niet helemaal duidelijk is wat er nu geïllustreerd wordt met een man die de poep van een vrouw betast. Maar wie zich door de fecaliën, gezwellen en andere onreinheden heen vecht zal ondervinden dat er wel degelijk iets van belang in de bundel wordt aangestipt. Zoals ‘Lotusbloem’, waarin een man besluit zijn vrouw om te brengen door een, houdt u vast, moedervlek op haar rug zo vaak open te krabben dat er een kankergezwel ontstaat. Dat is tamelijk ziek, totdat de verteller zich afvraagt ‘hoe Hitchcock dit zou aanpakken’, waarmee je een spiegel voorgehouden krijgt over het genot dat we aan gruweltaferelen in films ontlenen.

Dat doorbreken van die Brechtiaanse vierde wand doet de schrijver graag. Soms wordt het wat vet gehanteerd, maar er zijn ook tal van verhalen aan te wijzen waarin het subtieler gebeurt – en waarmee de bewondering van de lezer alleen maar groeit. Dautzenberg wil het perverse, zo lijkt het althans, in de context plaatsen van het ‘ideale’ dat in andere narratieve kunst valt aan te treffen. Bij de verkrachting van een meisje met een spierziekte gluurt Audrey Hepburn in de vorm van een wandportret mee, en vlak voordat een man en een vrouw in een kamer een man aantreffen die van mond tot kont ‘gespietst is’ door een ‘danspaal’ trekt de vrouw even ‘iets makkelijks aan’. ‘Iets makkelijks aantrekken’ doen vrouwen volgens mij alleen in flauwe romantische films, zodat we de schrijver hier aan het werk zien als iemand die van twee componenten een giftig brouwsel maakt.

In En dan komen de foto’s staan ook schematische teksten en regelrechte schema’s en tekeningen. Die laatste horen bij een verhaal waarin de verteller inbreekt in het huis van tekenaar Paul van der Steen en daar diens werk ontvreemdt.

Hoe verder je in het boek vordert, hoe meer je in de ban komt van het idee dat Dautzenberg niet méér heeft gedaan dan beschrijven van wat we niet alleen in films en romans, maar ook in de werkelijkheid kunnen aantreffen. Maar terwijl veel andere schrijvers de alledaagse gruwel via bijvoorbeeld krantenberichten hun roman binnensmokkelen, lijken bij Dautzenberg fictie en werkelijkheid één onontwarbaar geheel te vormen. Zo lijkt zijn verhaal over mannen die een vrouw als pisbak gebruiken geïnspireerd door de rel van een jaar of twee geleden over een urinoir in de vorm van een vrouwenmond. Bij een handleiding voor het zo gruwelijk mogelijk gebruik van scheermesjes moet je denken aan kleine krantenberichtjes over dierenverminking.

Wellicht is de boektitel ook een verwijzing naar de diapresentatie waarmee Colin Powell elf jaar geleden de westerse wereld verleidde tot een aanval op Irak. Ook aan feiten, of aan wat daarvoor door moet gaan, lijkt Dautzenberg te zeggen, kleeft partijdigheid. Zijn pleidooi zal alleen maar aan kracht winnen wanneer hij de bijl af en toe voor een scalpel verruilt.