Niks aan het handje

‘Goedemorgen, u spreekt met de scheidsrechter van het tweede. Ik vroeg me af of de wedstrijd doorgaat.”

Het heeft een dag en een nacht bijna onafgebroken geregend, maar bij de thuisvereniging zien ze het probleem niet. Al jaren geleden zijn de natuurvelden er tot de laatste spriet uit de grond getrokken en vervangen voor de in het amateurvoetbal inmiddels zo bekende kunststof vezelmatten. Op het groene nepspul met de zwarte, rubberen balletjes die al vele wasmachines van wanhopige voetbalmoeders hebben verwoest, gaan de wedstrijden volgens de meneer aan de telefoon altijd door.

Ik parkeer mijn auto in een plas water en weet de bestuurskamer met droge voeten te bereiken.

„Ha, de scheidsrechter van vandaag! Hartelijk welkom. U weet dat we kunstgras hebben hè, dus niks aan het handje.”

Na een bakkie koffie, nog maar een bakkie koffie, een hoop geouwehoer en de controle van het digitale wedstrijdformulier word ik door een vriendelijke vrijwilliger naar mijn kleedkamer begeleid.

„Is de wedstrijd straks hier?”, vraag ik als we langs het hoofdveld lopen.

De man knikt en ik kijk naar het veld. Van plasvorming is inderdaad nergens sprake, toch ziet het er niet goed uit. De grasmat vertoont bobbels waar een bescheiden pandabeer zich onder zou kunnen verstoppen, wat betekent dat óf de plaatselijke dierentuin in de problemen zit, óf de storm van vannacht het aangelegde materiaal op de een of andere manier te grazen heeft genomen.

„Wacht even”, zeg ik tegen de man, terwijl ik naar de bobbels loop. Na één minuut heb ik het al wel gezien: hier kan niet gevoetbald worden.

Terug in de bestuurskamer licht ik beide trainers in.

„Hoezo afgelast?”, vraagt de een. „Waarom horen we dit nu pas?”, vraagt de ander. Ik leg uit dat ik net heb geconstateerd dat het veld onbespeelbaar is. Toen ik een half uur geleden aan de koffie zat, waren de bobbels er natuurlijk ook al. Maar toen ik anderhalf uur geleden naar deze club belde net zo hard. We zijn allemaal een beetje laks geweest.

„Is er niks op te verzinnen?”, vraagt een van de trainers.

De panda’s zullen vast niet plotseling verdwijnen en een ander veld is niet beschikbaar, dus nee, er is niks op te verzinnen.

De wedstrijd gaat niet door.

Een kwartiertje later loop ik onverrichter zaken richting de waterplas waarin ik mijn auto heb geparkeerd. Onderweg vang ik een flard van een telefoongesprek op.

„Ja”, hoor ik een jongen zeggen, „ik kom weer naar huis. De wedstrijd gaat niet door.” En na een korte stilte waarin aan de andere kant van de lijn ongetwijfeld de waaromvraag wordt gesteld, vervolgt de jongen: „Omdat die kutscheids het veld heeft afgekeurd.”

Ik neem een grote stap over de plas, stap in m’n auto en rijd het parkeerterrein af.